Het getal der in de residentie Banka aanwezige Chinezen, hunne vrouwen en kinderen

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 146-151)

( I « )

mede gerekend, bedroeg, bij het eind van het j a a r , 14,434 zielen, waarvan 7606 aan het mijmverk waren verbonden. I n den loop van het jaar hadden onder hen 32

de-sertien plaats. Dertien der wegloopers werden echter gevat en, na de bepaalde strat ondergaan te hebben, weder ïn de mijnen aan het werk gesteld.

Ter aanvulling van de jaarlijks naar hun geboorteland terugkeerende dan wel zich aan het mijnwerk onttrekkende Chinezen zijn in 1854 850 nieuwelingen uit China

* 1 S r Ï Ï s vroeger aangevangen wetenschappelijk onderzoek naar den mineralogischen rijkdom van Banka ging, ten gevolge van de ziekte en het overlijden van den daarmede belasten ingenieur Liebert, in dit jaar weinig vooruit. Nogtans werden m de districten Muntok en Jeboes eenige nieuwe tingronden gevonden, waarvan sommige reeds voor ont-ginning bestemd zijn. In de nabijheid van Ajer Pamoedja werd graniet gevonden, het-welk cassiteriet (tin-erts) bevat, geheel gelijk aan den erts, die m losse korrels uit de

stroomwerken op Banka wordt verkregen.

§ 3 . BLITONG.

Het getal tinmijnen was met ééne vermeerderd en bedroeg thans 20, waarvan 6 kollong-, 2 koeliet-kollong- en 12 koeliet-mijnen.

ZÜ werden bewerkt door 548 arbeiders , die voor eiken pikol f 20 van de concessiona-rissen ontvingen ; f 5 meer dan in het vorige j a a r , en f 6: 50 meer dan het Gouvernement op Banka betaalt.

De verkregene opbrengst werd op 2000 pikols geschat. < _ I n de afdeeling Brang waren », steenen" gevonden, welke eene groote hoeveelheid tm inhielden. De ontginning en bewerking dezer steenen was evenwel kostbaarder en moest volgens eene geheel andere werkwijze geschieden dan die van het strcomtin. (Vergelijk het slot der voorgaande paragraaf.)

I n dit jaar werd mede berigt ontvangen van de ontdekking eener nieuwe t m -ertssoort op Blitong, welke, zoo men meende, ook op Banka zou zijn en groote voor-deden beloofde. De gunstige uitslag van een onderzoek van dezen erts werd medegedeeld door de heeren P. J. Maier en J. Loudon, in een opstel te vinden in het Natuurkundig

Tijdschrift voor Nederlandseh Indie, deel V I , pagg. 339—342.

§ 4 . ZUID- ES OOSTER-AFDEELIXG VAX BORNEO.

Bij de gouvernements-steenkolenmijn te Pengaron w a s , op ultimo December 1854, het navolgende personeel: Europeanen: één administrateur, één opziener der mijn, één onder-opziener der mijn, één magazijn meester, twee voormannen, vijf élèves, één menage-meester en twee geëmploijeerden , te zamen 14 personen; inlanders: twee timmeilieden, vier en dertig mandoers, vier hospitaalbedienden, een honderd negen en negentig pande-lingen en drie honderd zes en tachtig tot dwangarbeid of verbanning veroordeelde personen ; te zamen 625 personen.

Omtrent het materieel wordt aangeteekend, dat het stoomvaartuig voor het slepen der af voerbooten , waarvan in het vorig Verslag te dezer plaatse melding is gemaakt, in dit jaar in dienst werd gesteld (zie hieronder de mededeelingen omtrent de fabriek voor de marine, het stoomwezen en de nijverheid); dat bij deze fabriek mede werden ver-vaardigd acht ijzeren laadscbouwen, en dat magtiging werd verleend tot het oprigten van eenen tweeden paardenmolen.

I n de werkzaamheden werd groote tegenspoed ondervonden, door eenen in de maand February ontdekten brand in een gedeelte der mijn, waardoor de arbeid gedurende bijna twee maanden is moeten gestaakt worden. Aan de ijverige pogingen der beambten wordt het toegeschreven, dat deze brand betrekkelijk slechts geringe schade veroorzaakte, te weten een geraamd verlies van 800 ton nog uit te graven steenkolen en het verlies van eenige gereedschappen en materialen. Een andere tegenspoed was eene overstrooming ten gevolge van hevige stormen, waardoor het onmogelijk was in de mijn te werken en veel schade werd veroorzaakt.

Ofschoon deze rampen zeer nadeelig op de productie hebben gewerkt, is zij echter in 1854 weder niet onaanzienlijk vermeerderd.

36

Hetrestantsteenkolen,buitendemijnentePengaron, bedroeg op uit. Dec.1853 4,8501/2 ton

en op ultimo December 1854 3,800l/2 »

zoodat het restant Is verminderd met 1,050 ton.

Gedurende 1854 is van daar naar Bandjermasin verzonden 15,050 »

zoodat in dit jaar aan steenkolen is uitgegraven 14,000 ton.

Op ultimo Dec. 1853 bedroeg de restant-voorraad te Bandjermasin 5,801 365/2000 ton.

In 1854 is aldaar van Pengaron aangebragt . 15,050 ton waarop echter eene minderheid boven de toegestane

spillage is bevonden van 4 335/2000

15,0451665/2000

Geeft te zamen . . . . 20,847 30/2 ( ) 0 0ton.

De afleveringen bedroegen in 1854:

naar Java en elders verzonden, voor rekening van het Gouvernement, vrachtvrij , voor overgevoerd zout 7401250/2000 ton idem, tegen betaling van verschillende vrachten . 14,13U750/200O „ verstrekt aan Zr. Ms. stoomschepen, stoompraauw,

smederij enz 622 666/2ooo »

verstrekt aan particulieren 1,837 500/2ooo "

— 17,332 166/2000 ton.

Zoodat de voorraad op ultimo 1854 te Bandjermasin bedroeg . . 3,5141864/2000 ton.

De opbrengst der mijnen beliep alzoo ruim 3500 ton meer dan in 1853, en ruim 5000 ton meer dan er in dat j a a r naar Bandjermasin werd afgevoerd.

De uitgaven voor de steenkoolontgïnning hebben gedurende 1854 bedragen f 85,276:67;

de opbrengst bedroeg, zoo als boven is gezegd, 15,050 ton. In 1853 bedroegen deze uit-gaven f 82,993, bij eene opbrengst van 11,480 ton. Onder die uituit-gaven zijn echter niet in rekening gebragt de rente van kapitaal en onderscheidene betalingen, welke op J a v a voor de mijnen geschieden voor aanschaffing van materieel.

Bovendien hebben de kosten van het vervoer der kolen van Bandjermasin naar de plaats van verbruik in 1854 bedragen f 32,782:691/2. In 1853 waren die kosten f 28,854. De zeer belangrijke uitgaven voor dit vervoer leidden tot eene proef van uitbesteding te Bandjermasin, die aanvankelijk wel slaagde.

De adspirant-ingenieur Bant vond op het gebied van den Sultan van Bandjermasin bij den berg Djabok, aan de rivier Riam-Kanan, en 36,000 Nederlandsche ellen digter aan het zeestrand dan de mijn te Pengaron, even rijke en voordeelige steenkolenlagen als daar worden bewerkt. Bij de reeds vroeger geuite verwachting, dat uit de mijn Oranje-Nassau eerlang op de tot dusver gevolgde werkwijze geene genoegzame kolen meer zullen verkregen kunnen worden, kan deze ontdekking van groot gewigt worden geacht.

Het in het vorig Verslag vermeld verzoek van den heer E. J. W. P. Wijnmalen tot het ontginnen van steenkolen in de Zuid- en Ooster-afdeeling van Borneo, en het daarop gevolgd onderzoek van gouvernementswege, leidden in dit jaar tot de verlangde overeen-komst tusschen het Gouvernement en hem. 'Aan de onderneming werd de naam gegeven

( 1 4 3 )

van Banjoe-riang. In het laatst van Let j a a r is het personeel naar Borneo vertrokken tot uitvoering der bijzondere onderzoekingen, welke tot bepaling van de juiste plaats der te openen mijnen noodig zijn.

Een verzoek van den heer G. P. King tot ontginning van steenkolen in den heuvel P l a -r a n g , nabij Sama-rinda (Koeti), moest van de hand wo-rden gewezen, daa-r het Koninklijk besluit van 24 October 1850, n ° . 45 (Indisch Staatsblad van 1851, n°. 6), niet toelaat de ontginning van delfstoffen bevattende gronden aan anderen dan aan Nederlanders toe te staan.

§ 5. Verdere opgaven betreffende den mijnbouw.

Java. In het vorig Verslag is melding gemaakt van het vinden van steenkolen aan de Meeuwenbaaï (residentie Bantam) en van het voorloopig onderzoek van den ingenieur Aquasie Boaclde. In zijn rapport omtrent dit onderzoek gaf deze ingenieur onder andere te kennen, dat ofschoon de gevondene kolon geene aanleiding gaven om eene ontginning aan te raden, hij evenwel, op grond der formatie waarin zij voorkomen, en uit aanmer-king der gunstige ligplaats, het wenschelijk achtte, het onderzoek op grooter schaal voort te zetten. Hiertoe werd mitsdien, op een deswege gedaan verzoek, aan eenige kooplieden te Batavia vergunning verleend, alsmede om, in geval van gunstige resultaten , eene proef-mijn te openen. Evenwel, werd tot voorwaarde gesteld, dat het Gouvernement vrijbleef om later de exploitatie voor eigen rekening te ondernemen of aan particulieren over te laten. Aan den ingenieur der mijnen de Groot werd tevens opgedragen, in persoon de bovenvermelde proeve te gaan bijwonen of eenen anderen ingenieur derwaarts te zenden, en van den uitslag een omstandig rapport in te dienen. Zoodanig rapport werd in 1854 nog niet ontvangen.

Daar bij art. 1 van het boven aangehaald Koninklijk besluit van 24 October 1850, betreffende de ontginning van delfstoffen bevattende gronden in Nederlandsch I n d i e , is bepaald, dat de eilanden Java en Banka voorloopig uitgezonderd zouden blijven van de vergunningen aan particulieren te verleenen tot het ontginnen van zoodamge gronden, w a s , reeds eenigen tijd vroeger, na de ontdekking van steenkolen te dier plaatse, op grond van de behoefte aan kolen op Java en van de ligging der ontdekte lagen m eene woeste, weinig bevolkte streek , aan den westelijken uithoek vanhet eiland, aan het Indisch bestuur, op 's Konings magtiging, overgelaten, te beslissen, of 's lands belangen eene exploitatie direct voor gouvernements-rekening zouden medebrengen, dan of eene parti-culiere onderneming de voorkeur verdiende.

I n 1847 had het Gouvernement van het lid der Natuurkundige Commissie dr. F. W.

Junghuhn de kennisgeving ontvangen van het aanwezen van goud-alluvie te Tjjilatjan.

Een destijds ingesteld onderzoek leverde echter geene gunstige resultaten op. In 1854 deed de resident van Banjoemaas op nieuw een onderzoek, en ook thans bleek, dat wel is waar goud gevonden w e r d , doch in te geringe hoeveelheid om daarvan voordeel te verwachten voor het Gouvernement.

Palembang. Het voorgenomen onderzoek naar steenkolen in deze residentie (zie het vorig Verslag) heeft in 1854 nog geen plaats kunnen vinden.

Biouw. I n het vorig Verslag is mede aangeteekend, dat door den Onderkoning van Eiouw aan den heer A. N. van den Berg concessie was verleend tot exploitatie van

tan-en andere mijntan-en op de Karimon-eilandtan-en, tan-en dat het ter zake geslottan-en contract door dezen aan den resident was ingediend, met verzoek om het ter goedkeuring en bekrachti-ging aan het Gouvernement voor te leggen. Bij onderzoek bleek, dat die goedkeuringen bekrachtiging aan dit contract, zoo als het daar l a g , niet kon worden verleend; doch aan den resident werd te kennen gegeven, dat indien de heer A. N. van den Berg verlangde met den Gouverneur-Generaal te contracteren, deze bereid w a s , hoofdzakelijk op de voorwaarden van het met den Sultan van Lingga te sluiten contract, en dus met hand-having der door de Vorsten bedongene regten en zonder eenig beding van dadelijk voor-d e e l ten behoeve van het Gouvernement, met hem eene overeenkomst aan te gaan tot

ontginning van delfstolïen bevattende gronden op de eilanden Groot- en Klein-Kanmon, wanneer hij, ten genoegen van het Gouvernement, bewijzen kon de middelen daartoe te bezitten.

Het verder verhandelde in deze zaak behoort tot een volgend verslag.

Wester-afdeeling van Borneo. Over de onderzoekingen in deze residentie

vervolge op hetgeen daaromtrent is gezegd in het vorig Verslag, het onderstaande worden medegedeeld uit de rapporten van adspirant-ingenieur Everwijn, aan wien die onder-zoekingen waren opgedragen.

De goudmijnen in Landak, slechts weinig in getal, zijn gelegen aan de Blintiang-rivier, welke beneden Gnabong in de Landak-rivier valt. Het goud , dat aldaar wordt geëxploi-teerd, is waarschijnlijk afkomstig van kwarts-aders, welke de kleischiefer doorsnijden, die in deze streken het gebergte vormt. Uit de werken die aldaar zijn aangetroffen Î3 gebleken, dat men er zich reeds sinds geruimen tijd met de ontginning heeft bezig ge-houden. I n 1854 bevonden zich daar 75 Chinezen met hunne vrouwe en kinderen ; 40 dezer Chinezen bewerken de goudmijnen voor rekening van den kapitein-Chinees van Mandor. Van eene ontginning in het groot zou echter geen voordeel de verwachten zijn.

De koper-erts, bij de goudwassching gevonden bij het Tampi-gebergte, aan de Piniti-rivier, is afkomstig van adertjes, aldaar in bontgekleurd kleigesteente voorko-mende, welke dien erts als zwart zwavel-koper nevens ijzer-pyriet bevatten. Indien de kopererts van gelijke hoedanigheid in grootere hoeveelheid wierd aangetroffen , zou hij met voordeel ontginbaar zijn.

De tinerts, naar welken een onderzoek was bevolen in de landschappen Soekadana, Simpang en Matam, is daar niet gevonden.

Op deKarimata-eilandenis de antimonium-(spiesglans-) e r t s , welke daar gezocht werd , niet gevonden, doch wel ijzer-mica en andere ijzerertsen.

Moluksche eilanden. Van het bevolen onderzoek naar steenkolenlagen op Ceram, in het vorig Verslag vermeld, waren nog geene nadere berigten ontvangen.

De mede vroeger vermelde onderzoekingen op Batjan gaven het vermoeden, dat bij de Soeno-ei-Amassing , op ruim vier palen afstands van zee , op zekere diepte kolen kunnen aangetroffen worden, welke regelmatig liggen; men was met een nader onderzoek aldaar bezig.

Timor. I n het Verslag van 1853 werd aangeteekend, dat aan mr. A. D. Brouwer, met wien onderhandeld werd over het verkenen van concessie tot ontginning van koper-mijnen op Timor, verlenging was verleend tot Augustus 1855 van den termijn tot aantooning dat het benoodigde kapitaal voor de ontginning te zijner beschikking stond, doch dat de heer Brouwer later overleden was. In Mei 1854 werd op een request van zijne weduwe te kennen gegeven, dat zoolang die termijn niet verstreken w a s , op verzoeken van anderen te dezer zake niet zou worden beschikt, zonder zijne erven in hun belang te hebben gehoord.

I I I . VISSCBEKIJEN.

Omtrent dit onderwerp (in het Verslag van 1849, pag. 205, met een enkel woord vermeld) zijn ditmaal uit Indie de volgende, niet onbelangrijke bijzonderheden medegedeeld.

I n de standplaatsen, zoowel op Java als op de buitenbezittingen, maakt de bevolking veel werk van de visscherijen en vindt zij daarin een goed bestaan. Over het algemeen is men echter van oordeel, dat de belasting, welke in eenige residentien op de vissche-riien en in sommige andere op de vischmarkten geheven wordt, voor dezen tak van nijverheid zeer drukkend en voor zijne uitbreiding belemmerend is.

De residentien, alwaar de visscherij meer bepaald eene bron van inkomsten voor de bevolking uitmaakt, worden hieronder vermeld.

JAVA EN MADUKA.

Bantam. In deze* residentie is de visscherij steeds toenemend.

Batavia. De visscherij schijnt minder gunstig te zijn geweest dan in vroegere jaren.

De opbrengst der vischpacht was althans minder dan in 1853.

Krawang. De moerassen of rawa's en de binnenkreken zijn zeer rijk aan visch. Hij wordt gezouten en gedroogd uitgevoerd.

Pelalongan. De visch vangst was vrij gunstig, waardoor de handel in gezouten visch aanzienlijk was.

( 145 )

Samarang. Indien de uitoefening der visscherij onbelas ware, zou de bevolking^zich meer op dezen tak van industrie toeleggen. Thans voomet zij gedeeltelijk m hare, * -hoefte door het inkoopen van Siamschen gezouten v

1S

ch, waarvan de invoer ook in 1854 weder zeer aanzienlijk was.

Japara. De visscherijen zijn afnemende. De vïschpacht bragt f1790 minder op dan in 1853.

Soerabaija. De visscherij verkeert in bloeijenden staat. In deze resident!e » n

v

e k vischvijvers, die goed worden onderhouden. De bevolking is « d i t onderhoud door het Gouvernement te gemoet gekomen door het verleenen van magüging (by _ -on besluit van 27 Januarij 1852), om aan eigenaren van vischvijvers en aan hen die zich op de visch-vang."toeleggen, licentien uit te reiken voor den vrijen aankap van de daarvoor

benoo-digde houtwerken in de tot dat einde opengestelde bosschen. « „ w - . , . In de afdeeling Madura is de visscherij een der hoofdtakken van het volksbestaan,

waartoe de gunstige ligging allezins medewerkt. Zij zou echter nog meer toenemen, T d S de belLing? die ten voordeele van den panembahan (regent) wordt geheven door e r s e h e bandhafs, wierd afgeschaft. Ten einde deze drukkende belasting te ontduiken brengen thans vele visschers hunne vangst ter markt op de strandplaatsen aan denoverwal.

BezoeU. Van de visscherijen kan door de bestaande belasting geene uitbreiding ver-wacht worden.

Banjoewangi. Men is begonnen vischvijvers aan te leggen, en over het algemeen begint

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 146-151)