ELFDE TITEL

In document DE BURGERLIJKE REGTSPLEGING DE STRAFYORDERIHG (pagina 72-102)

artikel 586, bij het laatste nommer van artikel

ELFDE TITEL

V I N DE REGTSfLEGING VOOR DE LANDRADEK IM Z A KEU VAN MISDRIJF.

E E R S T E A F D E E L I N G .

Van het onderzoek op de leregtzitting.

241. Elke landraad is bij voorkeur bevoegd om kennis te nemen van misdrijven, binnen den omvang van zijn regtsgebied gepleegd.

x i . TiTKJ" Van de regispleg. voor de landraden, enz. 6 1 De landraad binnen wiens regîsgebied de beklaagde w o o n t , verblijf h o u d t , of in hechtenis is genomen , zal slechts dan de kennisneming kunnen tot zich t r e k k e n , wanneer de woonplaats van de meeste der op te roepen getuigen nader bij deszelfs zetpl is g e l e g e n , dan bij dien van den landraad binnen wiens regtsgebied het misdrijf is gepleegd.

Indien een beklaagde meerdere misdrijven onder het regtsgebied van onderscheidene landraden heeft g e p l e e g d , zijn deze gelijkelijk bevoegd om van die verschillende misdrijven kennis te n e m e n , doch z a l , in geval van g e -lijktijdige bemoeijing van verschillende landraden, diegene hunner met de zaak belast blijven , binnen wiens r e g t s -gebied de beklaagde in hechtenis is gesleld , of, bij ge-breke van dien , woonachtig is of verblijf houdt.

242. Nadat de landraad , ten dage door den president overeenkomstig artikel 83 b e p a a l d , heeft zitting genomen, wordt de beklaagde voorgeroepen, of, zoo hij zich i n hechtenis b e v i n d t , onder goede bewaking , doch vrij van banden , binnengeleid.

Indien er meer dan één beklaagde z i j n , z a l , niet-tegenstaande de voortvlugtigheid of de afvvezenriheid van één of meerdere hunner, tot het onderzoek en de beregting , ten aanzien van de tegenwoordig zijnde beklaagden , wor-den overgegaan.

D e president is evenwel bevoegd om , indien hij z u l k s ih het belang der zaak noodig a c h t , en het te voorzien i s , dat de voortvlugtige beklaagden eerlang zullen kunnen gevat w o r d e n , de behandeling van het geding tot eenen naderen regtdag te verschuiven.

2 4 3 . Ieder beklaagde is bevoegd om zich op de teregt-zitting, te zijner verdediging, door c enen raadsman te doen bijstaan,

244. De president zal den beklaagde zijnen n a a m , ouderdom, geboorteplaats, woonplaats, en beroep afvra-gen, en hem voorts vermanen oplettend te zijn op hetgeen hij zal hooren.

215. D e president gelast v e r v o l g e n s , dat door den

62 xi. TITEL. Van de regtspleg. voor de landraden, enz, hoofddjaksa worden voorgelezen de processen - verbaal , verslagen en andere stukken tot de zaak betrekkelijk, met uitzondering van de schriftelijke verklaringen der ge-tuigen.

246. De hoofddjaksa draagt, onder overlegging der stukken van het voorloopig onderzoek, zijne schriftelijke beschuldiging voor, met vermelding van alle omstandig-heden door welke de daad voorafgegaan, vergezeld of gevolgd is geweest, voor zoo ver die tot verligting of ver-zwaring van de schuld des beklaagden kunnen bijdragen.

247. De president zal den beklaagde den inhoud der acte van beschuldiging duidelijk verklaren, en hem afvra*

gen, of hij die goed begrijpt, en wat hij daarop heeft te antwoorden.

248. De president doet onderzoek , of alle de opgeroe-pene getuigen tegenwoordig zijn, en geeft de noodige be-velen om voor te komen , dat zij , vóór het afleggen hun-ner getuigenis, met elkander over da zaak van den be-klaagde in woordenwisseling treden.

249. Wanneer een of meer getuigen na het afleggen huriner voorloopige verklaringen overleden , of door wc-tti-ge beletselen verhinderd zijn ter teregtzitting te verschij-nen , of wel uit hoofde van te verre verwijdering van woonplaats of verblijf, niet hebben kunnen worden opge-roepen , zulle n de door hen afgelegde verklaringen wor-den voorgelezen.

Indien deze verklaringen onder eede waren afgelegd, zullen zij met mondelinge beëedigde verklaringen worden gelijkgesteld, en anders zal de landraad daarop zooda-nig acht kunnen slaan, als dezelve, met inachtneming der voorschriften van artikel 293 , zal vermeenen te behooren.

250. Wanneer de opgeroepen getuigen niet allen zijn verschenen, zal de president, indien de landraad van

oor-deel is dat tot volledigheid van het onderzoek de tegen-woordigheid van een niet opgekomen getuige gevorderd, wordt, de zaak tot eene volgende , zoo min mogelijk ver-wijderde , teregtzitting mogen uitstellen , mits zulks ge-schiede voor dat het verhoor van den eersten getuige is

xi. TITEL. Van de regtipleg. voor de landraden, enz. 63 begonnen ; hij zal in dat geval gelasten , dat de afwezig gebleven getuige op nieuw tegen die teregtzitting warde opgeroepen.

251. Indien de achtergebleven getuige behoorlijk is opgeroepen , kan de president, wanneer hij voldoende gron-den vindt om het niet opkomen van gron-den getuige aan diens onwilligheid toe te schrijven , gelasten dat de afwezig ge-blevene op den naderen, voor de behandeling der zaak bepaalden regtdag, voor den landraad zal worden ge-bragt.

252. Wanneer een getuige, zonder wettigen grond, wei-gert den eed af te leggen , of getuigenis der waarheid te geven , kan de president de zaak tot eene nadere teregt-zitting , doch niet langer dan veertien dagen , uitstellen.

In dat geval zal de geiuige dadelijk op last van den president in gijzeling gesteld , en bij de nadere teregt-zilting andermaal voor den landraad gebragt worden.

253. Zoo de zaak niet is uitgesteld , of, in geval van uitstel, d'- getuige bij zijne weigering volhardt, kan de landraad hem ter zake zijner onwilligheid veroordeelen tot gevangenisstraf, den lijd van één jaar niet te boven gaande.

De deswege te wijzen vonnissen moeten , vóór de- ten-uitvoerlegging, aan de revisie van het hoog-geregtshof

on-derworpen worden.

2 5 4 . De bepalingen van de drie voorgaande artikelen zullen niet Avorden toegepast, indien d^ niet opgekomen of weigerachtige getuigen zijn Europeanen of daarmede ge-lijkgestelde personen.

Ten aanzien van de zoodanigen zal Worden gehandeld overeenkomstig de voorschriften, vervat in artikel 134, 135 en 136 van het Reglement op de strafvordering voor de raden van justitie op J a v a , enz.; met dien verstande, dat de president van den landraad alleen en zonder eenige medewerking der leden, of bemoeijingen van het openbaar ministerie , de bij die artikelen aan den raad van justitie verleende regtsmagt uitoefent , gelijk mede dat de aan het slot van artikel 135 van gemeld reglement verleende be-voegdheid tot verzet, vervangen wordt door die tot het

64 x i . TITEL. Van de regtspleg. voor de landraden, enz.

instellen van hooger beroep aan den raad van justitie, in-dien de opgelegde boete de som van vijf en twintig gul-den te boven gaat.

255. Indien het geval voorzien bij artikel 253, zich voor-doet ten aanzien van eenen als getuige opgeroepen Europe-aan of daarmede gelijkgestelden persoon, zal de president van den landraad van de plaats gehad hebbende weigering door den griffier aanteekening doen houden op het verbaal der teregtzitting, en een uittreksel van dit proces-verbaal onverwijld ter vervolging doen toekomen aan den officier bij den raad van justitie, binnen welks ressort de landraad gehouden wordt.

256. De getuigen worden één voor één binnen geroe-pen , in de orde die door den president het meest ge-schikt wordt gekeurd.

De president vraagt hun af hunne namen , ouderdom , beroep en woonplaats ; of zij den beklaagde gekend heb-ben vóór het plegen van de daad, waarvoor hij te regt staat ; of zij den beklaagde in den bloede, of door aanhuwelijking beslaan , en in welken graad ; einde-lijk of zij in eenige dienstbetrekking tot den beklaagde staan.

Daarna zullen de getuigen , ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed doen van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen , en vervolgens hunne getuigenis afleggen.

De getuigen zullen niet kunnen volstaan met te volhar-den bij de vroeger door hen afgelegde verklaring.

257. Zoodra met het hooren der getuigen op de teregt-zitting een aanvang gemaakt i s , zal het regïsgeding, be-houdens de gevallen voorzien bij artikel 273 en 274, onaf-gebroken worden voortgezet.

Nogtans zal de president hetzelve mogen schorsen, ten einde zelf de noodige rust te nemen en die aan anderen te verschaffen.

258. Indien de door eenen gftuige te/ teregtzitting afgelegde verklaring van de vroeger door hem gedane op-gaven verschilt, zal de president zoodanigen getuige

daar-xi. TITEL. Van de regtspleg. voor de îandraden, enz. 65 aan indachtig maken, en hem deswege de vereischte op-heldering vragen.

Hiervan wordt aanleekening gehouden op het proces-ver-baal.

259. Na elke afgelegde getuigenis zal de president den beklaagde vragen, of hij daartegen iets heeft in te brengen.

De getuige mag in het afleggen van zijne verklaring niet worden gestoord.

De beklaagde is evenwel geregtigd om, nadat de getui-genis is afgelegd, vragen te doen door tusschenkomst van den president, en zoo wel tegen den getuige, als tegen diens getuigenis in te brengen al wat hij tot zijne

verde-diging dienstig acht.

Indien de beklaagde door eenen raadsman wordt bijge-staan , heeft deze dezelfde bevoegdheid.

De president kan aan den getuige en aan den beklaagde alle ophelderingen vragen, welke hij tot ontdekking der waarheid noodig oordeelt.

2C0. Geene strikvragen zullen in den loop van het ding aan eenigen beklaagde of getuige mogen worden ge-daan, en de regter zal geen acht mogen slaan op de ant-woorden, welke op zoodanige strikvragen mogten zijn ge-geven.

Vragen, in welke eene daadzaak, door den beklaagd«

of de getuigen niet beleden of opgegeven, als door hen erkend wordt aangenomen of voorondersteld, zullen ook als strikvragen moeten worden beschouwd.

261. Wanneer de beklaagde op de aan hem gedane vra-gen niet antwoordt of antwoord weigert, zal de president hem zijne verpligting om te antwoorden onder het oog bren-gen, en daarna met de behandeling der zaak doen voort-gaan.

262. Wanneer de beklaagde door onbetamelijke gedra-gingen de orde op de teregtzitting stoort, zal de president hem tot stilte vermanen, en wanneer die vermaning vruch-teloos blijft, hem buiten de gehoorzaal doen leiden, en zal

«r met de verdere behandeling van het geding worden voort-5

6G xi. T I T E L . Van de regtspleg. voor de landraden, enz.

gegaan en daarin ttitspraäk gedaan, even als of de beklaagde daarbij ware tegenwoordig gebleven; alles onverminderd de vervolging van het misdrijf, waaraan de beklaagde zich ter teregtsitling mögt hebben schuldig gemaakt.

2 6 3 . D e leden van den landraad , de hoofddjaksa en de hoofdpanghoeloe zijn mede bevoegd om ter ontdek-k i n g der waarheid aan de getuigen en aan den beontdek-klaagde zoodanige vragen te doen, aïs zij dienstig zullen achten, m i t s het woord vragende aan den president.

D e president heeft niettemin het regt om te beletten, dat aa» dusdanige v r a g e n , wanneer hij die ongeoorloofd of on-betamelijk mögt a c h t e n , gevolg worde gegeven.

Hij k a n ook weigeren aan den getuige eene vraag te doen, w e l k e doer den beklaagde is voorgesteld.

2 6 4 . E l k e getuiga blijft, na het afleggen zijner getuigen i s , bij de teregtzittigetuigeng tegegetuigenwoordig, tegetuigen ware de p r e s i -dent hem mögt vergunnen zich te verwijderen.

D i e vergunning zal niet worden verleend, indien de hoofddjaksa of de beklaagde verlangt, dat de getuige ter teregtzitting aanwezig blijve.

De getuigen mogen op d© teregtziüing niet met elkan-der in woordenwisseling treden.

265. Behoudens het bepaaide bij het volgende a r t i k e l , zullen niet als getuigen worden géhoord en kunnen zich verschoonen:

l o . bloedverwanten of nangehiiwden in de opgaande en nederd.ilende linie van den b e k l a a g d e , of van een zijner medebeklaagden;

2o. de broeders en z u s t e r s , of belmwdbroeders en zusters van den beklaagde, cf van een zijner m e -debeklaagden; mitsgaders de ooms en inoejjen, ook aangehuwde, en de broeders- en z u s t e r s k i n d e r e n ; 3». de echtgenoot van den beklaagde, of die van een zijner medebeklaagden, zelfs na da echtscheiding;

4.0. de door den beklaagde, of een zijner medebeklaag-den vrijgegeven lijfeigenen»

2GG. Indien de hoofddjaksa en de beklaagde daarin wederzijds uitdrukkelijk toestemmen, kunnen de in het

vo-XÏ. TITEL. Van de regispleg. voor de landraden, enz. 67 rige artikel vermelde personen, mits deze daarin mede bewilligen, tot het afleggen van getuigenis worden toege-laten.

Zij kunnen, ook zonder die toestemming, door den land-raad worden toegelaten om buiten eeds-afiegging inlich-tingen te geven.

267. Lijfeigenen van den beklaagde, als getuigen ge-roepen tot bezwaar of ontlasting van hunnen mees-ter , kunnen niet worden gehoord , dan voor zoo ver de hoofddjaksa en de beklaagde daarin uitdrukkelijk heb-ben toegestemd , of de landraad, in geval van verzet, na beraadslaging, het hooren dier lijfeigenen heeft bevolen.

De bepaling van het laatste lid van het vorige artikel is te dezen toepasselijk.

2G8. Zij die uit hoofde van hunnen stand, hun beroep of hunne wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn, kunnen zich verschoonen van getuigenis af te leg-gen ; doch alleen en bij uitsluiting nopens datleg-gene, waar-van de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

De beoordeeling der gegrondheid van de aangevoerde redenen van verschooning wordt aan den landraad, of, indien de tot het geven van geiuigenis opgeroepene tot de europesche of daarmede gelijkgestelde bevolking behoort, aan den president overgelaten.

269. Zullen niet anders, dan tot het geven van inlich-ting en zonder eedsaflegging , kunnen worden gehoord :

lo. kinderen van welke men niet met genoegzame zekerheid weet, dat zij den ouderdom van vijfden jaren bereikt hebben ;

2o. krankzinnigen, hoezeer zij bij tusschenpoozen het gebruik hunner verstandelijke vermogens moeten hebben ;

3». personen, die tot eene onteerende straf sjjn ver-oordeeld.

270. De beklaagde z a l , nadat de getuigen hunne getui-genis hebben afgelegd, mogen verzoeken, dat degenen, die hij zal aanwijzen , zullen buiten staan , en dat een of meerdere hunner op nieuw zullen binnen gelaten en

ge-v

@8 xi. TITEL. Van de regtspleg. voor de landraden, -enz.

froord worden, het zij afzonderlijk , het zij in elkanders bijzijn.

De hoofddjaksa heeft dezelfde bevoegdheid.

De president kan zulks ook ambtshalve bevelen.

271. De president kan, onder of na het hooren van een getuige , een of meerdere beklaagden doen buiten staan , en dien getuige oyer eenige omstandigheden der zaak af-zonderlijk ondervragen ; maar hij zal daarna niet met het onderzoek voortgaan, dan na vooraf eiken beklaagde te hebben onderrigt van hetgeen in des zei f.s afwezigheid is voorgevallen.

272. In den loop|, of na het afleggen der getuigenissen, zal de president aan den beklaagde alle de voorwerpen doen vertoonen, welke tot overtuiging dienen kunnen, en hem afvragen of hij dezelve erkent.

De president zal dezelve ook aan de getuigen doen ver-toonen , indien daartoe grond bestaat.

273. Zoodra de getuigenissen of andere bewijsmiddelen loopen over omstandigheden , welke niet bij de voordragt zijner beschuldiging door den hoofddjaksa zijn opgege-ven , en die volgens de wet tot verzwaring van de straf zouden kunnen aanleiding geven, zal de president den be-klaagde daarop opmerkzaam maken, en hem alzoo in de gelegenheid stellen zich deswege uit te laten ; waarvan melding zal worden gemaakt in het proces-verbaal der te-regtzitting.

Bij gebreke van dit een of ander, mag de landraad geen acht slaan op de hierboven bedoelde verzwarende omstan-digheden.

Indien deze omstandigheden van groot gewigt zijn, kan de president de zaak uitstellen , ten einde nieuwe getuigen te doen oproepen of nadere bewijsstukken te doen inwin-nen.

274. Wanneer de verklaring van een getuige , op de teregtzitting afgelegd , wordt verdacht gehouden valsch te zijn , zal de president den getuige ernstig vermanen de waarheid te zeggen, en denzelven de straffen voorhouden, waaraan hij zich zou blootstellen in geval van volharding

xi. TIÏEI*. Van de reglspleg. voor de landraden, enz. 63 in het afleggen eener onwaarachtige verklaring. Indien de getuige desniettemin bij zijne van valschheid verdachte opgaven blijft volharden , zal de voorzitter kunnen beve-len , dat zoodanige getuige voorloopig in hechtenis gesteld worde, om vervolgens de zaak overeenkomstig de wette-lijke voorschriften te behandelen.

In dat geval wordt dadelijk door den griffier opgemaakt, en door den president en den griffier onderteekend , een proces-verbaal, bevattende de verklaring door den getui-ge afgetui-gelegd, met aanduiding der gronden waarop het ver-moeden van valschheid berust.

Indien het belang der zaak zulks vordert, kan de pre-sident de voortzetting van het geding schorsen tot na den afloop van het onderzoek tegen den getuige.

Wanneer de van valschheid verdachte verklaring door eenèn Europeaan of daarmede gelijkgestelden persoon is afgelegd, wordt het hiervoren bedoelde proces-verbaal ver-zonden in voege als bij artikel 255 is bepaald.

275. Indien de beklaagde of een getuige de taal niet magtig is, waarin het geregtelijk onderzoek geschiedt, zal de president eenen tolk benoemen, en denzelven, tenware hij als beëedigd tolk bij den landraad mögt zijn toegela-ten , den eed doen afleggen van getrouwelijk te zullen ver-talen , wat uit de eene in de andere taal moet worden overgebragt.

Hij die in de zaak geen getuige zoude kunnen zijn, zal in dezelve niet tot tolk mogen gebruikt worden.

276. Wanneer de beklaagde doofstom is en niet schrij-ven k a n , zal de president tot tolk benoemen dengene, die het meest geschikt is met den beklaagde om te gaan-mits hij den ouderdom bereikt hebbe tot het geven van getuigenis vereischt.

Hetzelfde zal plaats hebben, wanneer een getuige doof-stom is en niet schrijven kan.

Wanneer de doofstomme schrijven k a n , zal de presi-dent in geschrifte doen stellen, en daarna aan den doof*

stommen beklaagde of getuige overgeven de vragen, wel*

ke hem gedaan Worden, of de aanmerkingen, welke heni

70 xi. TiTEï.. Van de regUpleg. voorde landraden, enz, worden voorgehouden , met last om daarop schriftelijk te antwoorden; al hetwelk vervolgens zal worden voorgelezen.

De bepalingen van dit artikel zijn mede toepasselijk op clegenen, die tijdelijk van hun gehoor of spraakvermogen beroofd zijn.

277. De president kan, in den loop van het onderzoek, ook andere personen dan de ontboden getuigen doen op-roepen , zelfs met last om dadelijk op de teregtzitting te verschijnen, en die personen onder eede hooren. Hij kan ook, ten gevolge van inlichtingen door den beklaagde of de getuigen op de teregtzitting gegeven , nieuwe stukken doen voorbrengen, om de zaak tot meerdere klaarheid te brengen.

Zoodanige stukken zullen worden voorgelezen.

278. Wanneer het misdrijf van dien aard i s , dat de vraag omtrent het al of niet bestaan van hetzelve door tot dat einde opgeroepen deskundigen kan worden toegelicht, zullen deze, ieder afzonderlijk, hun gevoelen uitbrengen , na vooraf den eed te hebben afgelegd , dat zij dit geheel naar waarheid, immers naar hun beste weten, zullen lioen.

Het tweede lid van artikel 275 is mede op de deskun-digen toepasselijk.

279. Nadat alle de getuigen zijn gehoord, ondervraagt de president den beklaagde, met voorhouding van de be-zwaren, die het geregtelijk onderzoek tegen hem heeft op-geleverd. Zoo er meerdere beklaagden zijn in dezelfde zaak, ondervraagt hij hen in de volgorde, die hij het meest ge-schikt oordeelt.

Hij mag den beklaagde ook gedurende den loop van een getuigen-verhoor ondervragen, als hij dit noodig acht.

Ook zal de president, indien er meerdere beklaagden zijn, eenen of meer derzelve kunnen doen buiten staan, ten einde eenen anderen in hunne afwezigheid te onder-vragen.

280. Na de ondervraging zal den beklaagde, en aan diens raadsman, wanneer hij door den zoodanige wordt bijgestaan, gelegenheid worden gegeven om de verdediging voor te dragen.

xi. TITEL. Van de regtspîeg. voor de landraden, enz. 71 De raadsman is verpligt daarbij den aan de justitie ver-schuldigd« n eerbied in acht te nemer.. Wanneer hij dien uit het oog verliest, aal de president hem daaraan herin-neren en, in geval van herhaalde oneerbiedigheid, het stil-zwijgen opleggen ; alles onverminderd de door den be-voegden regier op te leggen straffen, wanneer daartoe grond bestaat.

xi. TITEL. Van de regtspîeg. voor de landraden, enz. 71 De raadsman is verpligt daarbij den aan de justitie ver-schuldigd« n eerbied in acht te nemer.. Wanneer hij dien uit het oog verliest, aal de president hem daaraan herin-neren en, in geval van herhaalde oneerbiedigheid, het stil-zwijgen opleggen ; alles onverminderd de door den be-voegden regier op te leggen straffen, wanneer daartoe grond bestaat.

In document DE BURGERLIJKE REGTSPLEGING DE STRAFYORDERIHG (pagina 72-102)

GERELATEERDE DOCUMENTEN