Het gemaal Vlptwatering slaat niet continue even grote hoeveelheden water uit. Dit is o.a. afhankelijk van de weersomstandigheden en kent een duidelijke variatie in de tijd. Het gemaal Vlotwatering neemt geen water in. In vergelijking met andere gemalen in het Westland heeft Vlotwatering een relatief kleine capaciteit. Andere gemalen, die overtol-lig water lozen op buitenwater zijn gelegen in Rotterdam, Schiedam, Maassluis, Hoek van Holland en Scheveningen.

De interpretatie van de meetgegevens wordt enigszins bemoeilijkt door de wisselende toepassing van bestrijdingsmiddelen en de variatie in de hoeveelheid uitgeslagen water. Voor een beoordeling van de waterkwa-liteit wordt gebruik gemaakt van analysegegevens van watermonsters genomen in de maalkom. Van de directe omgeving van het lozingspunt zijn geen analysegegevens bekend.

Uit de meetgegevens kan afgelezen worden dat sommige organoch-loorverbindingen in zeer lage gehaltes worden aangetroffen. Er kan gesproken worden van een soort ,,achtergrond"concentratie, Dit geldt onder andere voor: dieldrin, endrin en aldrin en de meeste afbraakpro-ducten van DDT. De toepassing van deze stoffen in de gewasbescher-ming is in Nederland inmiddels verboden. Toch vertonen een aantal van deze stoffen piekgehaltes in de periode '89'90. Nader onderzoek zou kunnen uitwijzen of dit bijvoorbeeld komt door variaties in afspoeling, spreiding in de analyse of door illegaal gebruik. Als er sprake is van af-spoeling zullen elders in het Westland nog hogere gehaltes in de bo-dem moeten voorkomen.

Toetsing van de waterkwaliteit in het Westland aan de grenswaarden toonde overschrijdingen voor diazinon, malathion, parathion, mevinfos, pyrazofos en triazofos (Luttik et al, 1991). Bij het gemaal Vlotwatering worden naast reeds genoemde stoffen ook overschrijding van de grens-waarde gevonden voor lindaan, dieldrin, endosulfansulfaat en methyla-zinfos. Niet alleen bij het gemaal Vlotwatering worden dus

overschrijdingen van de grenswaarden aangetroffen, maar ook in ande-re delen van het oppervlaktewater van het Westland. Afgezien van lin-daan zijn op de Noordzee (nog) geen meetresultaten, die duiden op de aanwezigheid van organochioor- of organofosforverbindingen.

Voor de selectie van mogelijke risico stoffen is gebruik gemaakt van de grenswaarden voor het zoete water. Bij een dergelijke stofselectie kun-nen alleen stoffen gekozen worden waarvoor grenswaarden bestaan.

Grenswaarden bezitten de status van niet-wettelijke normen. De gese-lecteerde stoffen overschrijden in '89 en '90 de grenswaarde. Afgezien van lindaan wordt tevens het (indicatieve) MTR(zout) overschreden.

Voor de geselecteerde stoffen zijn vrachtberekeningen uitgevoerd. Het blijkt dat ondanks het geringe debiet van Viotwatering, een bijdrage aan de belasting van de Noordzee berekend kan worden van maximaal 2% voor parathion in vergelijking met een bron als de Nieuwe Wa-terweg.

Dienst Getijdewateren

Hierbij moet rekening gehouden worden dat voor vrachtberekeningen voor de Waterweg erg weinig gegevens beschikbaar zijn en veelat wordt uitgegaan van een meting op detectiegrens. Alhoewel in de maalkom bij Vlotwatering maandelijk monster genomen worden, blijft elk monster een moment opname. Van bronnen met een vergelijkbare omvang zijn nauwelijks gegevens bekend.

Voor dieldrin en dichloorvos zijn verspreidingsberekeningen uitgevoerd, waarbij rekening is gehouden met een afbraakfactor. Vanwege de spreiding in de beschikbare halfwaarde tijden voor dichloorvos en diel-drin wordt in verspreidingsberekeningen een grote marge in de ver-spreiding voor beide stoffen berekend, Met ander factoren, zoals menging, temperatuur, zuurgraad en dergelijke is geen rekening ge-houden.

De uitkomsten van een verspreidingsberekening zijn sterk afhankelijk van de aannamen, zoals bijvoorbeeld een gemiddelde diepte van 10 meter en een continue daglozing. Een berekening van een vracht uit-gaande van de grenswaarde, wordt sterk bepaald door de grootte van de bak, waarin de dagvoorraad wordt opgebouwd. Deze is in dit rap-port op 10 miljoen kubieke meter gesteld.

Bij dit watervolume in de nabijheid van het lozingspunt worden over-schrijding van de grenswaarde voor dieldrin, parathion, malathion en mevinfos berekend. In dit gebied bestaat hiermee een kans voor het optreden van risico's op het ecosysteem. Voor het mengsel van orga-nofosforverbindingen wordt een additief effect op kreeftachtigen bere-kend. Kreeftachtigen zijn relatief gevoelig voor insecticiden. Voor deze soorten wordt een effectieve concentratie berekend, die de EC50 zou overschrijden, Echter de uiteindelijk kans voor het optreden van effec-ten hangt sterk af van de actuele stofconcentraties, de hoeveelheid uit-geslagen water en weersomstandigheden,

Aangezien cje normen voor het ecosysteem veelal strenger zijn dan voor de gezondheid van de mens, is de verwachting dat voor de bad-toeristen in |de omgeving van het lozingspunt nagenoeg geen risico voor de volksgezondheid zal bestaan.

6 Aanbevelingen

Aanbevelingen om meer inzicht te krijgen in bestrijdingsmiddelen, die het Westland en indirect de Noordzee belasten zijn:

- andere bestrijdingsmiddelen met eenzelfde functie (vooral herbici-den) te analyseren. Gedacht kan worden aan fenolherbiciden zoals DNOC, aniliden, zoals metazoachloor en fenylureumherbiciden zoals diuron, maar ook aan carbamaten, zoals aldicarb. Zie ook bestrij-dingsmiddelen in oppervlaktewater van het Westland (1989/90) (Luttlk et al, 1991).

- bestrijdingsmiddelen te analyseren bij de andere gemalen van het Westland en zodoende een totaal beeld te krijgen van de hoeveel-heid bestrijdingsmiddelen, die het Westland verlaten. Hierbij moet rekening gehouden worden met het draaigedrag van de gemalen.

Aanbevelingen voor maatregelingen ten behoeve van de waterbeheer-der zijn:

- conclusies te trekken uit het feit dat nog piekconcentraties van ver-boden bestrijdingsmiddelen worden aangetroffen in de maalkom van Vlotwatering. Dit in tegenstelling tot de verwachte „achter-grond" concentraties.

- conclusies te trekken uit het feit dat meerdere malen overschrijdin-gen van de grenswaarde voor meerdere stoffen in het water van de maalkom worden aangetroffen.

Dienst Getijdewateren

Referenties

Rijkswaterstaat (1989). Derde Nota Waterhuishouding: Water voor nu en later

VROM (1990). Milieudoelstellingen bodem en water

Berendsen AG (1988), Bestrijdingsmiddelen en oppervlaktekwaliteit, een inventarisatie van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de akker-bouw en tuinakker-bouw, RIZA rapport.

Uittik R., Baumann RA, Wal van der B. (1991). Bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater van het Westland (1989/90), RIVM rapport nr;

711001007.

Canton J.H., Linders J.B.H.J., Luttik R.t Mensink B.J.W.G., Panman E., Plassche van de E.J., Sparenburg P.M. Tuinstra J. (1991). Catch-up ope-ration on old pesticides: an integope-ration, RIVM report no. 678801002.

Hoogheemraadschap van Delfland (1991); convenant tussen het Hoog-heemraadschap van Delfland en het landbouwschap, inzake de emissie beperking van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten van uit de glas-bouw in het beheersgebied van het Hoogheemraadachap van Delfland Hopman R., Beek van C.G.E.M., Janssen H.M.J., Puijker LM. (1990):

bestrijdingsmiddelen en drinkwatervoorziening in Nederland, concept KIWA.

Romijn C.A.F.M., Luttik R„ Meent D. vd, Sloof W.r Canton J.H. (1991):

presentation and analysis of a general aigorithm for risk-assessment on secondary poisoning, RIVM rapport nr. 679102001.

Stortelder P.B.M., Gaag van der M A , Kooij van der L.A, (april 1989):

kansen voor waterorganismen, RIZA nota nr. 89.016a.

Scholten M.C.T., Schobben H.P.M., Kaag N.H.B.M., Stronkhorst J. (1991):

de berekening van maximaal toelaatbare risico-niveaus voor stoffen in zoute wateren, TNO-rapport nr. 91/2681111

Steenwijk J.M., Lourens J.M., Meerendonk J.H., Phernambucq A.J.W., Barreveld H.L.,1992. Speuren naar sporen I concept, RIZA/DGWW VROM (1990), Stoffen en normen.

Voogt de R, Lourens J. (1992): de effecten van bestrijdingsmiddelen op de Noordzee, eindrapport, in voorbereiding, DGW-rapport.

Zalen E. van, Hammers W.E. (1991): de cholinesteraseremmende activi-teit van organofosforinsecticiden in oppervlaktewater; een evaluatie van de NEN 6526 methode, H2O(24) 1991 nr. 23

BIJLAGE 2: het Noordzee-actie-plan en pesticiden

3.5. Reductie van toevoer van pesticiden

De Derde Noordzeeconferentie legde in paragraaf 4 het streven vast om een substantiële vermindering te bereiken van de toevoer van pesti-ciden naar de Noordzee. Hiertoe werd overeengekomen om uiterlijk per 31 december 1992 het gebruik en de toepassing van pesticiden stricter te reguleren, en waar nodig, emissies in het milieu te verminderen.

Deel c van Bijlage 1B bevat een lijst van pesticiden waarvan het gebruik uitgebannen moet worden. Met uitzondering van atrazin worden de op deze lijst voorkomende bestrijdingsmiddelen niet (meer} in

Nederland gebruikt. Momenteel loopt de procedure om te komen tot een verbod op het gebruik van atrazin.

Daarnaast bevat de lijst van 36 prioritaire stoffen van Bijlage 1A, waarvan de toevoer met 50% of meer moet worden verminderd, achttien stoffen die in Nederland als bestrijdingsmiddelen worden toegepast.

Zowel in het kader van de opstelling van het Meerjarenplan Gewasbe-scherming (MJP-G) als ten behoeve van de Milieucriteria Nota vindt momenteel overleg plaats over te hanteren criteria voor het bepalen van prioriteiten voor emissiereductie van bestrijdingsmiddelen. Hierbij wordt aandacht gegeven aan aspecten zoals uitspoeling, persistentie en mogelijke effecten op waterorganismen. De operationalisering van deze milieucriteria heeft plaatsgevonden - conform de motie Esselink terzake - in het kader van de vaststelling van het MJP-G. Indien stoffen niet voldoen aan de gestelde criteria, dan zal dit op termijn (1995/2000) resulteren in beperkingen in het gebruik van de individuele stof, dan wel sanering daarvan.

Met het MPJ-G wordt beoogd de structurele afhankelijkheid bij gewas-bescherming van chemische middelen te verminderen, met inachtname van een noodzakelijk breed scala ten behoeve van de landbouw.

Drie soorten maatregelen kunnen bij de uitwerking van deze taakstelling worden onderkend:

- vermindering van afhankelijkheid van chemische gewasbescherming;

- vermindering omvang verbruik chemische bestrijdingsmiddelen;

- vermindering van emissie naar het milieu van bestrijdingsmiddelen.

Bij de uitvoering van deze maatregelen speelt de toelating van bestrij-dingsmiddelen een belangrijke rot. De toelating van een bestrijdings-middel, dat op basis van nieuwe inzichten en/of nieuwe gegevens niet langer toelaatbaar wordt geacht, kan worden ingetrokken. De bestrij-dingsmiddelenwet, de WVO, de Hinderwet en de Wet Bodembe-scherming vormen het kader waarbinnen maatregelen getroffen zullen worden die hun effect hebben op het bestrijdingsmiddelengebruik door agrarische ondernemers. Bovendien wordt ernaar gestreefd een andere houding te bevorderen van de agrarische ondernemers tegenover de wijze waarop gewassen kunnen worden beschermd tegen ziekten en plagen.

Als gevolg van deze maatregelen wordt - afhankelijk van teelt en type toepassing - het gebruik van bestrijdingsmiddelen gereduceerd met 25-50% per 1995, terwijl tegen 2000 reducties van 45-75% mogelijk zijn. Hierbij zal nadrukkelijk aandacht worden besteed aan da relatie met de stoffen lijsten genoemd in de Derde Noordzeemintstersverklaring.

Door stofgericht beleid zal in het kader van de Bestrijdingsmidde-lenwet de vanuit milieuhygiënische overwegingen noodzakelijke sanering van het bestrijdingsmiddelenpakket worden gerealiseerd. Hierbij wordt beoogd dat de emissies op het oppervlaktewater in 1995 met 70% en in 2000 met 90% gereduceerd zijn, Een nadere kwalitatieve en kwantita-tieve schatting zal tegen het eind van 1990 mogelijk zijn na het gereed-komen van de Milieucriteria Nota en het MJP-G.

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 884, nrs. 1-2

Met het uitkomen van de derde Nota Waterhuishouding (V&W, 1990)

In document De belasting van de Noordzee met bestrijdingsmiddelen gemaal Vlotwatering (Westland) in (pagina 22-28)

GERELATEERDE DOCUMENTEN