CONCEPT-ORDONNANTIE

In document W E T G E V I NG VOOR (pagina 49-60)

BEHOORENDE BIJ DE MISSIVE VAN" DEN DIRECTEUR VAN JUSTITIE D.D. 9 JANUARI 1899 No. 224.

(geivoon hoofd)

Dat Hij, het wenschelijk achtende het aannemen van losgeld voor de terugbezorging van gestolen goed strafbaar

te stellen;

Lettende op de artikelen 20, 29, 31 en 33 van het Re-glement op het beleid der Regeering van Nederlandsch-Indië ;

Heeft goedgevonden en verstaan :

In het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders in Ne-derlandsch-Indië, vastgesteld bij de ordonnantie van 6 Mei 1872 (Staatsblad No. 85), wordt het volgende artikel ingevoegd :

oogmerk om zich of' een ander wederrechtelijk te bevoordeelen." Heelt nu b.v. hij die de plaats waar het gestolen vee verborgen is toevallig ontdekt en zich voor de aanwijzing daarvan een belooning laat geven, al dan niet gehandeld met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoor-deelen ? Mr. PiErERS en Mr. STIKBE zouden de vraig, als die aan hun beslissing onderworpen werd, ontkennend beantwoorden: het Hof zou er een bevestigend antwoord op geven.

— 174 —

Artikel 31a. Hij die een gift of belofte aanneemt voor zijn bemoeiingen om eenig gestolen goed terug te bezorgen, of voor de aanwijzing van de plaats waar het zich be-vindt, wordt gestraft met dwangarbeid buiten den ketting van ses maanden tot vijf jaren.

Geen straf wordt uitgesproken indien blijkt dat de dader alles gedaan beeft wat in zijn macht stond om den dief te doen aanhouden en veroordeelen.

(gewoon slot).

ADVIES VAN DEN RiÂD VAN NEDERLANDSCH-INDIÈ,

UITGEBRACHT IN DE VERGADERING VAN 24 MAART 1899.

No. XV.

Overeenkomstig de adviezen van den Raad van 27 Sep-tember en 4 November a.p. N°s XV en IV, is bij het schrijven van den Eersten Gouvernements-Secretaris van den 11«» de r laatstgenoemde maand N° 2615 aan den Directeur van Justitie de opdracht gedaan, om ter beteu-geling van veediefstallen, hoofdzakelijk op Java en Madoera, eene strafbepaling te ontwerpen in den geest van artikel 215 van de Anglo-Indian Penal Code.

Aan die opdracht is door genoemden Departementschef voldaan bij missive van 9 Januari jl. N° 224, echter niet geheel naar de bedoeling daarvan, en bij nadere overwe-ging' komt den Raad eene strafbepaling overeenkomstig voormeld artikel van het Britsch-Indische strafwetboek, zooals door den Directeur van Justitie is geconcipieerd, reeds thans onvoldoende voor.

Het terugbezorgen aan de eigenaren van hoofdzakelijk gestolen vee is een euvel, hetwelk zich in verschillende vormen voordoet en, zooals de Raad in zijn voormeld ad-vies van 4 November a. p. reeds aanteekende, in streken, waar veediefstallen veelvuldig voorkomen, een geheel

ge-organiseerd karakter draagt.

Men heeft daar bij het Inlandsche publiek in de dessa's overal bekende personen, tot wie de eigenaar, zoo het hem

ontstolen vee niet spoedig wordt teruggevonden, zich wendt om in contact te komen met anderen, die in de organi-satie opgenomen zijn. Duurt het wat lang voordat de

eigenaar bij hen komt, dan gaan zij zelf naar dezen en brengen den diefstal ter sprake. De eigenaar roept hun hulp in, die zij toezeggen. Daarbij doet het zich dikwijls voor, dat zij van hem geen gift of beloften vragen of aan-nemen ; zij vinden dan hun voordeel natuurlijk in een deel van den later te betalen losprijs. Wel wordt hun in den regel zoogenaamd „sangoe" verstrekt, doch, ook met het oog op het geringe bedrag daarvan, kan men daarbij niet aan eene „gift" denken. De eigenaar wordt daarop in verbin-ding gebracht met personen, die iets meer op het doel af-gaan, den losprijs in het algemeen bespreken, en personen aanwijzen, die wellicht genegen zullen zijn het ontvreem-de terug te bezorgen of daartoe moeite te doen. Deze ontvangen mede in den regel niets dan wat „sanggoe."

Vervolgens worden de laatstbedoelde personen opgezocht.

De zaak krijgt dan dikwijls haar beslag; alles wordt ge-regeld: losgeld, wie het gestolene zal terugbrengen, of waar dit zal kunnen worden gevonden, nadat de losprijs zal zijn voldaan of ergens gedeponeerd. Wordt de losprijs aan iemand ter hand gesteld, dan is deze ook weer dik-wijls niet de persoon, die het vee teruggeeft, wanneer niet is overeengekomen dat dit op eene bepaald aangegevene plaats zal kunnen worden teruggevonden.

De zaak krijgt echter niet altijd zoo spoedig haar beslag.

Voordat het eindresultaat bereikt is, heeft de eigenaar meermalen met nog andere tusschenpersonen te onderhan-delen.

Gaf aanvankelijk de dief zelf het gestolene tegen los-prijs terug, — in den loop der tijden heeft deze zaak zich zóó ontwikkeld, dat de dief dan wel hij, die het goed van den dief in ontvangst neemt, persoonlijk geheel buiten alles blijft, en dus het aantal tusschenpersonen is geklommen naarmate van het bij vervolgingen aan het licht gekomen

gevaar voor bestraffing wegens medeplichtigheid als heler.

— 176 —

De eerste categorie van die tusschenpersonen nu zal bij eene bepaling als de ontworpene bijna altijd straffeloos blijven, en juist de bestraffing van dezen acht de Raad in hooge mate urgent. Hunne veroordeeling zal in den regel niet moeielijk vallen; de bewijslevering toch heeft niet veel bezwaren in, en daardoor zal die categorie na verloop van tijd aan de organisatie ontvallen, omdat eene betrekkelijk zware en in de meeste gevallen niet te ont-loopen straf zal staan tegenover een zeer gering geldelijk voordeel, als geschenk van hem, die den losprijs opsteekt.

Het wordt den daders en hunnen medeplichtigen dien-tengevolge moeilijker zich buiten schot te houden; de kansen, hen in handen te krijgen, zullen grooter worden, en dus zal ook het kwaad meer in den wortel kunnen worden aangetast. Bovendien zal het minder gemakkelijk van de hand zetten van het vee tegen losprijs op zich zelf al van gunstigen invloed zijn op het verminderen der veediefstallen.

Ook om eene andere reden is het in het belang van het-geen men beoogt wenschelijk, het aannemen van eene gift of belofte ten aanzien van de evenbedoelde categorie van personen niet als vast criterium van het strafbaar te stel-len feit op te nemen.

Den bestolene, die het hem ontstolen vee tegen losprijs tracht terug te bekomen, is het alleen om zijn vee te doen en niet om de daders te doen straffen. Dit is in zijn oog geheel de taak der politie, en in den regel is hij, ook dikwijls uit vrees, niet erg genegen de politie in hare taak te helpen. Weet hij, dat hij de zaak van hen, die hem hebben geholpen om hem in contact te brengen met de meer tot de kern der organisatie behoorende personen, om het zoo eens te noemen, bederft door te verklaren dat zij eenig geldelijk voordeel hebben genoten, dan zal hij dit veelal verzwijgen, — in hunne handelingen ziet hij ook weinig kwaad —, of zullen zijne verklaringen, zoo hij door vrees voor den dief en zijn maat wordt bewogen, zooda-nig zijn, dat de rechter er weizooda-nig waarde aan kan hechten.

Door te streng te hechten aan eene gift of belofte als eisch voor strafbaarheid, zou men derhalve weder zooveel minder kans hebben hetgeen men zich met de bepaling voorstelt, beteugeling van veediefstallen, te bereiken.

Aangezien nu het medewerken door derden tot het tot den eigenaar tegen losprijs doen terugkeeren van het hem ontstolene, ook al wordt voor dat medewerken geene be-looning of gift genoten, kan beschouwd worden als een maatschappelijk kwaad, omdat het een ernstig misdrijf in de hand werkt door het gemakkelijk te maken uit dat misdrijf voordeel te genieten, bestaat er ook niet het minste bezwaar tegen, het criterium van gift of belofte te doen vervallen.

Hetgeen de Raad beoogt, heeft hij in een tweetal arti-kelen samengevat, welke met het oog op het bovenstaande geen nadere toelichting behoeven ; en hoezeer uit de practijk wellicht zal blijken, dat daardoor nog niet voldoende wordt te gemoet gekomen aan hetgeen wordt gewild, is de Raad van oordeel, dat zij meer tot het doel zullen leiden dan eene bepaling, als in het voor Britsch-Indië geldend straf-wetboek voorkomende.

Ten aanzien van de plaatsing van die artikelen in het Strafwetboek voor Inlanders, kan de Raad zich geheel ver-eenigen met hetgeen de Directeur van Justitie aanvoert ten opzichte van de door hem ontworpen bepaling.

De Raad heeft in de door hem voorgestelde artikelen niet opgenomen het 2de lid van des Directeurs concept, inhoudende de ook in Britsch-Indië geldende vrijstelling van straf. "Waar de „helper" reeds van den aanvang af al het mogelijke doet om den dader van het feit, waardoor de goederen aan den eigenaar zijn onttrokken, te doen aanhouden en veroordeelen, zal wel geen vervolging tegen hem worden ingesteld of voortgezet. Immers, in zoodanig geval ontbreekt feitelijk het ook voor de hierbedoelde handelingen vereischte opzet, hetwelk juist bestaat in het eigener autoriteit, buiten de politie om, optreden, met de bedoeling den dader bij de politie onbekend te doen

— 178 —

blijven en daaruit een ongeoorloofd voordeel te kunnen genieten. Bovendien zal de bepaling in de practrjk eens-deels zonder twijfel aanleiding geven tot vele quaestiën,—

waar toch is de grens van al het mogelijke —, anderdeels zal zij vermoedelijk leiden tot het aanwijzen van perso-nen, inderdaad niet in de zaak betrokken, in de hoop zich daardoor van eene vervolging vrij te maken.

Waar een „helper" na eene ingestelde en voortgezette strafvervolging „al het mogelijke" doet, om den dader te kunnen doen veroordeelen, is het, vermits de handeling toch altijd strafwaardig is en met strengheid behoort te worden tegengegaan, beter de appreciatie daarvan aan den rechter over te laten om daarmede eventueel rekening te houden bij de strafoplegging.

In het tweede artikel heeft de Raad de strafbaarstelling opgenomen van het enkel vragen van een losprijs. Dit is inderdaad niet minder noodig, als eene meermalen met succes bekroonde soort van oplichting, die echter slechts zeer zeldzaam als zoodanig is te straffen.

Ten advieze overgaande, heeft de Raad de eer in over-weging te geven: eene ordonnantie vast te stellen en te doen afkondigen overeenkomstig het hierbij overgelegd nieuw concept.

Met het oog op artikel 29 van het Regeerings-reglement geeft de Raad van Nederlandsch-Indië in overweging, ten deze in overeenstemming met hem te beslissen

De Baad van Nederlandsch-Indië,

(wg.) DE MEESTER

Vice-President.

De Secretaris

(Wg.) SüERMONDT.

I N H O U D .

Biz.

Staatsblad 1899 No. 141 133.

Missive wd. Ie Gouv. Secretaris. 25—7—1895 . . 135.

Missive Directeur v. Justitie 22—8—1895 . . . 135.

Concept-Ordonnantie 143.

Consideration en advies van den Procureur-Generaal,

29—10—1895. 144.

Idem van het Hoog-Gcrechtshof 27—3—1896 . . 148.

Missive Ie Gonv. Secretaris 11—11—1898 . . . 158.

Kota over begunstiging van v eed iet,stallen . . . 161.

Missive Directeur v. Justitie 9 — 1—1899 . . . 170.

Concept-Ordonnantie 173.

Advies v. d. Raad v. Ned.-Indië 24—3—1899 . . 174.

In document W E T G E V I NG VOOR (pagina 49-60)

GERELATEERDE DOCUMENTEN