De achtergrondkenmerken van de cliënten uit de verschillende onderzoeksgroepen zijn weergegeven in tabel 5 in het vorige hoofdstuk. Opvallend is dat de cliënten uit de

controlegroep die vragenlijsten hebben ingevuld in achtergrondkenmerken veel afwijken van de andere onderzoeksgroepen. Zo is de maximum leeftijd en de gemiddelde leeftijd in deze groep lager dan in de andere groepen (50 jaar versus 70-73 jaar en 34,3 jaar versus 39,6-43,1 jaar). Ook is de gemiddelde wachttijd in deze groep hoger dan in de overige groepen (25,5 dagen versus 11,9- 17,1 dagen). De overige onderzoeksgroepen lijken wat betreft deze achtergrondkenmerken wel op elkaar. In alle groepen geldt dat de meerderheid van de

cliënten man is (69,6%- 86,4%). Verder hebben de meeste cliënten een opleiding voltooid van laag of middelbaar niveau, en zijn veel van hen ongehuwd.

5.1.1 Toetsing verschillen tussen groepen in achtergrondkenmerken Er is onderzocht of er verschillen zijn tussen de zes onderzoeksgroepen in

achtergrondkenmerken. Voor leeftijd en wachttijd is dit gedaan met een variantieanalyse.

Allereerst is voor zowel leeftijd als wachttijd door middel van de Levene’s toets gecontroleerd of de varianties van de groepen binnen de populatie aan elkaar gelijk zijn. Hieruit bleek dat voor beide variabelen geldt dat de varianties van de verschillende groepen van elkaar

verschillen. Een variantieanalyse bevestigd dit. Voor zowel leeftijd ( F(5,633) = 2,73; p<0,05) als wachttijd (F (5,633)= 5.88; p<0,05) geldt dat er een significant verschil is gevonden tussen de zes groepen. De variabelen leeftijd en wachttijd worden daarom in de vervolganalyses als controlevariabelen meegenomen.

Met behulp van een Chi-kwadraat toets is onderzocht of de zes onderzoeksgroepen van elkaar verschillen wat betreft het percentage mannen en vrouwen. Uit de analyse bleek dat er geen significante verschillen zijn in de samenstelling van de zes onderzoeksgroepen wat

43 betreft geslacht (Chi² (5) = 3,13; p>0,05). De variabele geslacht wordt in vervolganalyses niet meegenomen als controlevariabele.

Voor de variabelen middel van verslaving, burgerlijke staat en opleidingsniveau zijn verschillen tussen de groepen getoetst met behulp van een Fisher’s exact toets. Uit deze toetsen bleek dat er geen significant verschil is tussen de zes onderzoeksgroepen wat betreft middel van verslaving (Fisher’s exact =29,19; p=,221) opleidingsniveau (Fisher’s exact

=21,86; p=,324) en burgerlijke staat (Fisher’s exact =26,04; p=,131). Deze variabelen worden in vervolganalyses niet meegenomen als controlevariabelen.

5.1.2 Beschrijving afhankelijke en onafhankelijke variabelen

In tabel 6 staan de verdelingen van de afhankelijke en de onafhankelijke variabelen gepresenteerd. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de experimentele groep en de controlegroep. Alleen cliënten die een vragenlijst hebben ingevuld zijn weergegeven. Van overige cliënten in de onderzoeksgroep is geen informatie bekend over variabelen uit de Theorie van Gepland Gedrag.

Voor de afhankelijke variabele no-show is het percentage in de controlegroep (33,3%) hoger dan in de experimentele groep (12%). Opvallend is dat op de onafhankelijke variabele houding in beide groepen hoog gescoord wordt (3-5) ten opzichte van de minimum- en maximumscore (1-5). Ook op eigen effectiviteit wordt in beide groepen hoog gescoord.

Tussen de experimentele groep en de controlegroep lijken geen grote verschillen te bestaan wat betreft de onafhankelijke variabelen.

44 Tabel 6. Verdeling van de afhankelijke variabele en de in het onderzoek gebruikte variabelen uit de Theorie van Gepland Gedrag, uitgesplitst voor experimentele groep en controlegroep.

Meting onderzoeksperiode, groep met

Formulier hanteerbare Geen formulier ingevuld 34 (65,4%) 21 (100%) momenten ingevuld Wel formulier ingevuld 18 (34,6%) -

N 52 21

Intentie laag 11 (20,4%) 5 (23,8%)

(laag-hoog) hoog 43 (79,6%) 16 (76,2%)

N 54 21

Houding gemiddelde 4,15 4,03

(som van twee items, standaarddeviatie 0,61 0,63

Laag-hoog) Min-max 1-5 1-5

range 3-5 3-5

N 54 19

Subjectieve norm gemiddelde 0,51 0,74

(vermenigvuldiging standaarddeviatie 0,94 0,44

twee items, laag-hoog) Min-max -2 - 2 -2 - 2

range -2 - 2 0 - 1

N 45 17

Eigen effectiviteit gemiddelde 4,17 4,38

(laag-hoog) standaarddeviatie 1,00 1,02

Min-max 1-5 1-5

range 2-5 1-5

N 52 21

45 5.2 Toetsing van het verschil in het no-show percentage in de experimentele groep en de controlegroep tijdens de onderzoeksperiode ten opzichte van de voormeting

In deze paragraaf wordt onderzocht of er een verschil is tussen het no-show percentage bij VNN voorafgaand aan de invoering van oplossingsgericht werken tijdens het telefonisch aanmeldingsgesprek, en het no-show percentage na invoering van het oplossingsgericht werken tijdens het telefonisch aanmeldingsgesprek in zowel de experimentele als in de controlegroep.

Om dit te toetsen zijn onderzoeksgegevens uit USER gebruikt. Het no-show percentage uit de voormeting in de experimentele groep is vergeleken met het no-show percentage gedurende de onderzoeksperiode in de experimentele groep. De

onderzoeksperiode omvat hier zowel cliënten die geen vragenlijst hebben ingevuld als cliënten die dit wel hebben gedaan. De resultaten van de Chi-kwadraat toets staan weergegeven in tabel 7.

Tabel 7. Chi-kwadraat toets voor no-show: de experimentele groep in de voormeting en de experimentele groep tijdens de onderzoeksperiode

No-show show N

Experimentele groep voormeting

40 (25,5%) 117 (74,5%) 157

Experimentele groep onderzoeksperiode

28 (15,6%) 151 (84,4%) 179

Chi-kwadraat (1)= 5,01; p=0,03

Uit de tabel 7 komt naar voren dat er een significant verschil is tussen het no-show percentage in de experimentele groep tijdens de voormeting en het no-show percentage van de

experimentele groep gedurende de onderzoeksperiode (Chi²=5,01; p<0,05). Het percentage no-show van de experimentele groep tijdens de onderzoeksperiode is lager dan dat van de experimentele groep tijdens de voormeting.

Vervolgens is onderzocht of er een verschil in het no-show percentage is tussen de twee vestigingen in de experimentele groep tijdens de voormeting en gedurende de

onderzoeksperiode. De resultaten van deze Chi-kwadraat toets staan weergegeven in tabel 8.

46 Tabel 8. Chi-kwadraat toetsen voor het verschil in no-show percentage tussen de voormeting en de onderzoeksperiode uitgesplitst naar Drachten en Sneek.

No-show Show N

Drachten

Voormeting 22 (22,9%) 74 (77,1%) 96

Meting onderzoeksperiode 23 (19,1%) 97 (80,8%) 120 Chi-kwadraat (1) = ,455; p=0,500

Sneek

Voormeting 18 (29,5%) 43 (70,5%) 61

Meting onderzoeksperiode 5 (8,5%) 54 (91,5%) 59

Chi-kwadraat (1) = 8,56; p=0,003

Uit tabel 8 blijkt dat er geen significant verschil is gevonden tussen het no-show percentage tijdens de voormeting en het no-show percentage tijdens de onderzoeksperiode in Drachten.

Wel is er een significant verschil gevonden tussen het no-show percentage tijdens de voormeting en het no-show percentage tijdens de onderzoeksperiode in Sneek. Het significante verschil in het no-show percentage in de experimentele groep tussen de

voormeting en gedurende de onderzoeksperiode wordt dus veroorzaakt door een daling van het no-show percentage in Sneek. In verdere analyses zullen Drachten en Sneek echter samen als experimentele groep doorgaan. In de discussieparagraaf zal dieper worden in gegaan op de verschillen in de daling van het no-show percentage tussen Drachten en Sneek.

Het no-show percentage van de controlegroep tijdens de voormeting is vergeleken met het no-show percentage in de controlegroep tijdens de onderzoeksperiode. Ook hier zijn zowel de gegevens van cliënten die wel een vragenlijst hebben ingevuld als gegevens van cliënten die geen vragenlijst hebben ingevuld gebruikt. De resultaten staan weergegeven in tabel 9.

Tabel 9 Chi-kwadraat toets voor no-show: de controlegroep in de voormeting en de controlegroep tijdens de onderzoeksperiode

No-show Show N

Controle groep voormeting 35 (24%) 111 (76%) 146

Controle groep onderzoeksperiode 50 (31,8%) 107 (68,2%) 157 Chi-kwadraat (1)= 2,32; p=,127

47 Er is geen significant verschil gevonden tussen het no-show percentage tijdens de voormeting en het no-show percentage tijdens de onderzoeksperiode. Hoewel er geen significant verschil is gevonden valt het op dat het no-show percentage tijdens de onderzoeksperiode gestegen is ten opzichte van de voormeting, in de discussie zal hier nog aandacht aan worden besteed.

In document University of Groningen. No-show binnen de ambulante verslavingszorg terugdringen Offringa, Klazien (pagina 43-48)