Belastingen in geld

In document N E D E R L A N D S C H - I N D I Ë OVER HET JAAR 1937 (pagina 38-44)

M e t betrekking t o t de belastingen in het algemeen dient t e worden opgemerkt, d a t de invordering in 1937 d e n gunstigen invloed vertoonde van de in d a t jaar heerschende betere omstandigheden.

D e personeele belasting 1908 ( I . S. 1908 n°. 13) werd bij Ord. van 12 M a a r t 1937 ( I . S. n°. 153) op een enkel p u n t van formeelen aard gewijzigd. De zuivere opbrengst van dit middel over 1937 bedroeg f 3 438 300, tegen f 3 241 000 over h e t d a a r a a n voorafgegane jaar ]) .

De verpondingsordonnantie 1928 ( I . S. 1928 n°. 342) onderging gedurende 1937, behoudens h e t hieronder vermelde, een wijziging van formeelen aard bij Ord. van 12 M a a r t 1937 ( I . S. n°. 153), terwijl d e in I . S. 1935 nos. 96 en 591 opgenomen „Crisisvoorziening voor h e t loopende verpondingstijdvak"

ongewijzigd bleef.

Bij Ord. van 16 Dec. 1937 ( I . S. n°. 655) werd onder den n a a m „aanvullende verpondingsordonnantie 1937" een regeling in h e t leven geroepen, krachtens welke voor h e t tijdvak 1938 tot en m e t 1942 wordt gebroken m e t h e t t o t nu toe gegolden hebbende stelsel van een vijfjaarlijkschen aanslag, in dien zin.

dat de aanslag van ongebouwde perceelen jaar voor jaar wordt geregeld, terwijl voor gebouwde perceelen achtereenvolgens voor een tijdvak van twee en een van drie jaren d e aanslag' wordt vastgesteld. De verpondingsordonnantie 1928 onderging in verband m e t deze regeling eenige wijzigingen.

D e achteruitgang van d e opbrengst van dit middel, waarvan de oorzaak valt te zoeken in de tusschentijdsche herzieningen van den aanslag wegens daling van de verpondingswaarde, hield ook in 1937 nog aan. D e zuivere opbrengst over 1937 beliep f 4 544 000, tegen f 5 226 000 in 1936.

De regeling der inkomstenbelasting ( I . S. 1932 n°. 111) onderging bij Ord.

van 25 Aug. 1937 ( I . S. n". 502) wijziging in verband m e t de hieronder t e vermelden verlaging van h e t heffingspercentage der loonbelasting. Bij die ordonnantie werd verder h e t tarief der heffing in dien zin gewijzigd, d a t voor jaarlijksche inkomens t o t beneden f 120 een belasting van f 1 werd vastgesteld '(art. 27, lid 1, letter b, onder A ) .

!) De hier en bij de verdere middelen genoemde opbrengsten zijn geput uit de op het tijdstip van het samenstellen van dit Verslag ten dienste staande gegevens. De cijfers betreffende de kohierbelastingen stellen voor de rekeningcijfers volgens bet ,,zuivere opbrengsf'-stelsel. De tot vergelijking strekkende cijfers over 1936 zijn de in het vorig Verslag vermelde.

DE LAND SFINANCIEN

Bij Ord. van 23 Dec. 1937 ( I . S. n°. 665) werd, ter uitvoering van h e t tweede lid van artikel 95, de 1ste J a n u a r i 1938 aangewezen als tijdstip, waarop h e t bepaalde bij artikel 27, lid 2, letter b, in werking treedt, Als gevolg hiervan zal bij d e vaststelling van de inkomstenbelasting, verschuldigd wegens de opbrengst van producten, afkomstig van gronden als bedoeld in letter a van h e t eerste lid van artikel 27, voortaan h e t progressieve tarief toepassing vinden, indien de voortgebrachte producten aan een uitvoerrecht zijn onderworpen.

H e t stelsel der bednjfsvergunningen (hoofdstuk X I V A der ordonnantie op de inkomstenbelasting 1932) is t o t een aantal gebiedsdeelen en plaatsen uit-gebreid (zie I . S. 1937 n°. 694).

De heffing van opcenten, voor 1937 vijftig bedragende, werd geregeld bij Ord. van 1 Mei 1937 ( I . S. n°. 284). Bij Ord. van 25 Aug. 1937 ( I . S. n°. 504) werd h e t aantal opcenten voor het jaar 1938 verlaagd t o t 30.

De zuivere opbrengst van d i t middel bedroeg over 1937, exclusief loonbelasting, f 27 909 000, tegen een zuivere opbrengst over 1936, eveneens exclusief loon-belasting, van f 23 722 000.

D e ordonnantie loonbelasting onderging in 1937 tweemaal wijziging. Bij Ord.

van 8 Aug. 1937 ( I . S. n°. 503) werd h e t heffingspercentage m e t ingang' van 1 J a n u a r i 1938 van 4 op 3 teruggebracht. Bij Ord. van 16 Dec. 1937 ( I . S.

n°. 654) werden bepalingen getroffen, strekkende om van de belasting vrij te stellen h e t loon, b e s t a a n d e in h e t genot, in welken vorm ook, van vrije genees-kundige behandeling, van vrij gebruik van medicijnen en van vrij vervoer m geval van verlof of terzake v a n beëindiging van de arbeidsverhouding of dienst-betrekking. Voorts word bij laatstgenoemde ordonnantie, overeenkomstig h e t voor de inkomsten- en vermogensbelastingen geldende, ook voor de loonbelasting bepaald, dat een werkgever zich voor een weigering om t e voldoen aan d e verplichting tot h e t geven van inzage der boekhouding, loonlijsten, enz. alsmede t o t het verstrekken van inlichtingen, niet m e t v r u c h t kan beroepen op _ de omstandigheid, dat hij u i t hoofde van zijn stand, beroep of a m b t t o t geheim-houding verplicht is, zelfs al m o c h t deze h e m bij wettelijk voorschrift zijn opgelegd. Verder werden enkele administratieve voorschriften in overeenstemming m e t die van andere belastingregelingen gebracht.

D e bepalingen ter uitvoering van d e ordonnantie op de loonbelasting ( I . S.

1934 n°. 641) zijn nader gewijzigd (zie I . S. 1937 n°. 541).

De zuivere opbrengst der loonbelasting' over 1937 bedroeg f 21 629 000, tegen een zuivere opbrengst van f 19 672 000 over 1936.

De regeling der vennootschapsbelasting ( I . S. 1925 n°. 319) onderging in 1937 geen wijziging. De heffing van 100 opcenten is geregeld bij Ord. van 1 Mei 1937 ( I . S. n°. 284). De zuivere opbrengst over 1937 bedroeg f 25 976 000, tegen f 12 577 000 over 1936.

Evenals in h e t Verslag over 1936 kan worden opgemerkt, d a t de hoogere opbrengst nagenoeg uitsluitend een gevolg is van de opleving van het bedrijfs-leven. Voor een gedeelte h a n g t zij ook samen m e t h e t afnemende bedrag dei-verliezen, welke voor compensatie in aanmerking' komen.

De zuivere opbrengst van de vermogensbelasting ad f 1 143 900 steeg in vergelijking m e t die van 1936 m e t ,± 10 % (in 1936 f 1 059 000; in 1937 f 1 143 0 0 0 ) .

De opbrengst van de couponbelasting bedroeg f 114 000, tegen f 225 100 in 1936. D e aanzienlijke daling in d e opbrengst is in. de eerste plaats veroorzaakt door de vrijstelling van couponbelasting, k r a c h t e n s , art. 2 der Nederlandsen-Indische Conversie)eeningwet 1937 (N. S. n°. 904, I. S. n°. 332) verleend ter gelegenheid van de conversie der leeningen 1930 en 1931.

De Lands-honclenbelasting is ingevoerd te Benkoelen en Loeboeklinggau ( I . S. 1937 n°. 204), terwijl de p l a a t s e n Moearabeliti, Talangbetoetoe en Loeboek-b a t a n g zijn afgevoerd van de lijst van plaatsen, waar die Loeboek-belasting wordt geheven ( I . S. 1937 nos. 204 en 492).

36 DE FINANCIEELS TOESTAND

D e zegelverordening 1921 werd in 1937 — o.m. in verband m e t de nieuwe vuurwapenwetgeving ( I . S. 1935 n°. 170) — op enkele ondergeschikte p u n t e n gewijzigd ( I . S. 1937 nos. 35 en 170).

D e opbrengst van het zegelrecht, het recht van overschrijving en van de rechten van successie en van overgang bedroeg in 1937 onderscheidenlijk f 9 394 000 (v. j . f 6 730 000), f 1 317 000 (v. j . f 1 416 000) en f 286 000 (v. j . f 3 1 8 000).

D e opbrengst van de slachtbelasting over 1937 beliep f 4 274 000, tegen f 4 742 000 over 1936.

D e slachtordonnantie vrouwelijk groothoornvee 1936 ( I . S. n°. 614) is 1 J u n i 1937 in werking getreden, terwijl de in die Ord. gegeven voorschriften voor enkele gebiedsdeelen buiten werking zijn gesteld ( I . S. 1937 n°. 344).

D e zuivere opbrengst van de motorvoerluigenbelasting over 1937 bedroeg f 781 600, tegen f 654 000 over 1936.

D e in h e t Verslag over 1936 genoemde mogelijkheid t o t vermindering van de belasting t e n behoeve van degenen, die sedert 1 J a n u a r i 1935 onafgebroken houder van één of meer diesel-auto's zijn, leidde t o t restituties van f 5000 en f 7000, respectievelijk over 1935 en 1936.'

Landelijke inkomsten op Java en Madoera. I n alle gouvernementslanden op J a v a en Madoera geschiedde de aanslag en de inning der 1 andrente op den voet van d e „ L a n d r e n t e - o r d o n n a n t i e 1927" ( I . S. n°. 163; sedert gewijzigd en aangevuld bij I . S. 1931 n°. 168).

Herziening van den landrente-aanslag' op de basis van de landrente-ordon-nantie 1927 h a d plaats in 4 districten van de residentie B a t a v i a , 5 v a n de residentie Priangan, 4 van d e residentie J a p a r a - B e m b a n g , 4' van de residentie Banjoemas, 4 van de residentie Soerabaja, 5 van de residentie Bodjonegoro, 4 v a n de residentie Kediri en 4 van de residentie Besoeki.

I n totaal werd in d e z e 34 districten geregistreerd een oppervlakte aan landrenteplichtige gronden van 853 063 h a (waarvan 395 081 ha sawah) of 18 248 ha (2 % ) m e e r d a n volgens d e l a a t s t e landrente-leggers, terwijl de bruto-landrente-aanslag in deze districten van f 3 244 175 in 1936 terugliep t o t f 2 278 714 *) in 1937 en derhalve m e t f 965 461 of 42 % verminderde, voor-namelijk als gevolg van de sterke verandering in economische constellatie, welke de districten sedert de vorige herziening t e zien gaven.

U i t de afdeelingsverslagen nopens d e n aanslag en de inning van de landrente in 1937 blijkt, d a t d e totale aanslag in dit jaar f 28 125 692 bedroeg, tegen f 30 452 061 in 1936. Uit hoofde van misgewas werd in 1937 ontheffing verleend t o t een bedrag van f 464 849, wegens onbeplant blijven van sawahs t o t een bedrag v a n f 59 554 en wegens andere buitengewone en gewichtige redenen, hoofdzakelijk in verband m e t de crisis (alleen in de niet herziene districten) t o t een bedrag van f 6 466 449.

Op grond van de drie laatstgenoemde ontheffingen m o e s t de landrente-aanslag in 1937 derhalve verminderd worden m e t een bedrag van f 6 990 852 (in 1936 m e t f 8 9 2 1 4 9 1 ) , zoodat werkelijk t e heffen viel f 2 1 1 3 4 840 (in 1936 f 21 531 4 7 0 ) .

Op 31 December 1937 was van d e n landrente-aanslag 1937 een bedrag van f 466 542 nog niet aangezuiverd, terwijl door de m e t de inning belaste personen een bedrag van f 21 868 verduisterd werd (in 1936 f 3264).

D e geleidelijke vermindering, welke de l a n d r e n t e - a c h t e r s t a n d e n over do voorafgegane jaren in 1936 ondergingen, wettigde — gelet ook op d e kleine stijging van d e prijzen van enkele landbouwproducten — de veronderstelling, d a t m e t d e in 1936 aan crisis-ontheffing verleende bedragen in h e t algemeen in voldoende m a t e was tegemoet gekomen aan de verminderde betalingscapaciteit der bevolking.

L) Op dit bedrag weid, in tegenstelling met den aanslag over 1936, geen crisisonthef-fing meer verleend.

DK LANDSFINANCIEN

I n verband hiermede werd voor hot jaar 1937 in do nog niot op do nieuwe economische basis herziene districten een crisis^ontheffing verleend, welke behoudens een enkele uitzondering gelijk was aan die van h e t voorafgegane jaar.

D a t desondanks het totaal bedrag dezer ontheffing terugliep, h o u d t verband m e t de voortschrijdende herziening van hot landrente-plicbtige areaal, waarbij uiteraard rekening werd gehouden m e t de wijzigingen in de economische constellatie, welke oen uitvloeisel zijn van de crisis.

Landrento in de Buitengewcsten. Bali en Lombok. D e aanslag en d e inning der l a n d r e n t e in d e residentie Bali en L o m b o k vindt plaats overeenkomstig de bepalingen der „ B a l i - l a n d r e n t e - o r d o n n a n t i e " ( I . S. 1922 n°. 812, juncto I . S.

1925 n°. 193).

Uit h e t gewestelijk verslag betreffende d e n aanslag en de m n m g van de landrente blijkt, d a t de totale aanslag in 1937 bedroeg f 2 396 216, tegen f 2 397 578 in 1936. Wegens deugdelijk geconstateerd misgewas werd m 1937 ontheffing verleend t o t een bedrag van f 50 400, wegens onbeplant blijven van sawahs, enz. t o t een bedrag van. f 7091, wegens andere buitengewone en gewich-tige redenen, hoofdzakelijk in verband m e t de crisis, t o t een bedrag van f 462 110.

Als gevolg van de drie vorenstaande ontheffingen m o e s t de landrente-aanslag 1937 derhalve worden verminderd m e t f 5 1 9 601 (in 1936 f 5 9 3 015), zoodat werkelijk t e heffen viel f 1 876 615 (in 1936 f 1 804 563).

Op 31 D e c e m b e r 1937 was van d e n aanslag een bedrag van f 182 957 nog m e t aangezuiverd, terwijl aan boeten werd geïnd een som van f 11 714.

Borneo. I n d e afdeeling Hoeloc Soengai der residentie Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo geschiedt de aanslag en d e inning der landrento overeen-komstig d e regeling vervat in d e ,,Borneo-landrente-ordonnantie" ( I . S. 1923 n°. 484, j u n c t o I. S. 1925 n°. 193 en 1932 n°. 102).

U i t h e t gewestelijk verslag nopens d e n aanslag en do m n m g van do landrente over 1937 blijkt, d a t de t o t a l e aanslag in 1937 bedroeg f 455 262 (in 1936 f 4 5 4 967). Wegens deugdelijk geconstateerd misgewas werd in 1937 ontheffing verleend t o t een bedrag van f 16 237, wegens onbeplant blijven van sawahs, enz.

t o t een bedrag van f 4145, aan vrijstellingen voor leden van het k a m p o n g b e s t u u r

•werd verleend f 11 009.

Op grond hiervan m o e s t de landrente-aanslag in 1937 worden verminderd m e t een bedrag van f 3 1 3 9 1 (in 1936 f 1 1 2 307), zoodat werkelijk t e heffen viol f 423 871 (in 1936 f 342 660).

Celebes. I n h e t rechtstreeks b e s t u u r d gebied van h e t gouvernement Celebes on Onderhoorigheden heeft de aanslag en de inning der landrente plaats overeen-komstig de regeling vervat in de „Celebes-landrente-ordonnantie" ( I . S. 1927 n°. 279). I n 1927 werd de aanslag op den voet dezer regeling ingevoerd m de adatgemeenschap Sidenreng van d e afdeeling P a r é p a r é .

U i t h e t gewestelijk verslag nopens d e n aanslag en de inning van de landrento in 1937 blijkt, d a t d e t o t a l e aanslag bedroeg f 627 391 (in 1936 f 629 431). I n verband m e t deugdelijk geconstateerd misgewas werd in 1937 ontheffing verleend t o t een bedrag van f 14 067, wegons onbeplant blijven van sawahs, enz. t o t een som van f 5516, wegens andere buitengewone en gewichtige redenen in verband m e t de crisis t o t een bedrag van f 217 089.

Op grond hiervan m o e s t de landrente-aanslag in 1937 verminderd worden m e t f 2 3 6 672 (in 1936 f 2 7 2 941), zoodat werkelijk t e heffen viel f 3 9 0 719 (in 1936 f 3 5 6 490).

Andere landelijke inkomsten. Voor do overige onder d e landelijke inkomsten begrepen belastingen (de I n l a n d s c h e verponding, do gebruiksgrondbelasting in de B u i t e n g e w c s t e n en het hoofdgeld van do heerendienstplichtigen in de Gouverne-m e n t s l a n d e n buiten J a v a en Madoera) worden de voorloopige u i t k o Gouverne-m s t e n van de begrootingsrekening 1937 gesteld op onderscheidenlijk f 257 000, f 69 000 en f 48 000.

In- en uitvoerrechten en accijnzen. Ingevolge de wet van 31 Dec. 1936 (N. S. n°. 916; I . S. n". 718) werden gedurende h e t jaar 1937 in h e t algemeen

3 8 DB FINANCIEELE TOESTAND

25 opcenten op de ad valorem invoerrechten en 50 opcenten op de specifieke invoerrechten geheven. V a n de heffing van die opcenten werden evenwel vrijgesteld de goederen, welke tevoren steeds buiten de opcentenheffingen waren gehouden (gambir, wijn, gedistilleerd, houtgecst en alcoholische essences), de manufacturen, welke voorheen aan de heffing van 20 opcenten waren onder-worpen, zoomede de goederen, waarvan h e t invoerrecht bij Ord. van 26 Oct. 1936 ( I . S. n°. 572) tijdelijk t o t 6 % der waarde werd verlaagd.

Bij Ord. van 27 M a a r t 1937 ( I . S. n°. 175), bekrachtigd bij de wet van 3 Dec. 1937 (N. S. n°. 907; I. S. 1938 n°. 12), werden, in verband m e t de voortschrijdende industrialisatie van Nederlandsch-Indië, de in de Tariefwet voorziene mogelijkheden tot h e t verleenen van vrijdom van invoerrechten verruimd t e n behoeve van de in Nederlandsch-Indië voor export werkende industrieën.

Tevens werd de mogelijkheid geopend rechtenvrijdom t e verleenen voor in Neder-landsch-Indië vervaardigde goederen (bijv. a u t o b a n d e n ) , welke naar buiten het tolgebied worden gezonden en daarna als onderdeel van buitenlandsche goederen weder in h e t tolgebied worden ingevoerd. Uitvoeringsbepalingen terzake werden vastgesteld bij E . V n . van 31 M a a r t 1937 ( I . S , nos. 184 en 185).

Voorts is 'bij de genoemde Ord. van 27 M a a r t 1937 h e t invoerrecht op Biouw-gambir, ferrocerium ( v u u r s t e e n t j e s ) , automatische aanstekers en gemer-ceriseerde m a n u f a c t u r e n verlaagd, terwijl h e t invoerrecht op verkeers- en bedrijfsvliegtuigen werd afgeschaft en de mogelijkheid werd geopend van rechten-vrijdom voor o n d e r d e d e n en toebehooren daarvan (T. S. 1937 n°. 186). Inmiddels is bij de wet van 3 Dec. 1937 (N. S. n°. 910; T. S. n°. 668) het invoerrecht op vliegtuigen en andere a p p a r a t e n zwaarder d a n de lucht geheel afgeschaft.

I n verband m e t h e t op 30 J u n i 1937 m e t Duitschland gesloten nieuw verdrag t o t regeling van het goederenverkeer tusschen Nederlandsch-Indië en Duitschland werden bij Ordn. van 28 J u n i e n 13 Aug. 1937 ( I . S. nos. 428 en 482), welke bij de wet van 3 Dec. 1937 (N. S. n°. 905, I . S. 1938 n°. 10) zijn bekrachtigd, de tijdelijke tariefsverlagingen, vervat in de Ord. van 29 J u n i 1934 ( I . S. n°. 390) bestendigd en werden nieuwe tariefsverlagingen t o t stand gebracht, namelijk voor röntgenfilms, strijkijzers, geysers, w a r m w a t e r a u t o m a t e n en eenige electrische artikelen (tariefposten 170, 572 1, 775, 810 en 811). Deze maatregelen gelden t o t 1 J u l i 1940.

Op den voet van art. 3, lid 1, der Indische Tariefwet werden bij E . V . van 18 J u n i 1937 (T. S. n°. 417) eenige nadere voorwaardelijke vrijstellingen van invoerrechten verleend.

Bij Ord. van 24 Febr. 1937 ( I . S. n°. 124), bekrachtigd bij de wet van 16 Dec. 1937 (N. S. n°. 911, I . 8. 1938 n». 3 2 ) , werd de sliding-scale, volgens welke h e t algemeen uitvoerrecht op rubber wordt geheven, in dier voege gewijzigd, d a t de opklimming van h e t recht in een langzamer t e m p o geschiedt, terwijl liet m i n i m u m waarbij m e t de heffing van d a t r e c h t wordt aangevangen, van 18 cent op 20 cent per 1- kg werd gebracht. Bij de beschikking van den Directeur van Financiën van 2 J u n i 1937 (bekend gemaakt in de J . 0 . van 4 J u n i 1937 n°. 44) is de gemiddelde prijs van J a v a standard sheets t ei' berekening van h e t vorenbedoeld uitvoerrecht voor h e t kalenderjaar 1938 vast-gesteld op 39,6 cent per J- kg, tengevolge waarvan h e t recht in dat jaar f 0,029 per \ kg bedraagt.

Bij Ord. van 28 J u n i 1937 ( I . S. n°. 427), bekrachtigd bij de wet van 3 Dec.

1937 (N. S. n°. 908, I. S. 1938 n°. 13), werd de opschorting van de heffing van uitvoerrecht bij uitvoer u i t J a v a en Madoera van aldaar geteelde tabak, niet bereid voor de Inlandsche m a r k t , nader m e t een jaar — derhalve t o t 1 J u l i 1938 — verlengd.

Bij Ord. van 9 J u l i 1937 ( I . S. n°. 449), bekrachtigd bij de w-et van 3 Dec.

1937 (N. S. n°. 909; I . S. 1938 n°. 14), werd voor de uitvoerproducten spiritus, foesel-olie, Java-jute en roselle-vezcls, steenkolen, joodkoper en jodiumpreparaten, alsmede voor katjang kedelee (sojaboonen) h e t extra-uitvoerrecht afgeschaft.

Behoudens ten aanzien van laatstgenoemd product had de afschaffing plaats m e t terugwerkende kracht t o t h e t tijdstip, waarop die heffing in werking was getreden.

De cijfers, aangevende de opbrengst van de invoerrechten, uitvoerrechten, accijnzen, alsmede van het statistiekrecht in 1936 en 1937 zijn als volgt:

Accijns op gedistilleerd

„ bier

( kerosine. . . . „ petroleum |b e n z.n e >

Totaal . . . .

1936

f 44 144 168 6 468 468 1 124 785 2 002 083 509 240 621 469 10 515 847 20 997 441 2 665 774 11730 484

5 793 993 f 106 573 752

1937

f 55 774 908 22 479 078 15 169 702 3 553 427 680 334 846 361 10 746 579 24 802 352 2 067 740 16 785 276 6 591 600 f 159 397 357

Met ingang van 1 Februari 1937 trad in werking de Ord. van 28 Dec. 1936 ( I . S. n°. 702) tot aanpassing van de E e c h t e n o r d o n n a n t i e ( I . S. 1931 n°. 471), de Petroleumaccijnsordonnantie ( I . S. .1886 n°. 249), de Ord. op h e t Statistiek-recht ( I . S. 1924 n°. 517) en het Algemeen Goederengeldreglement ( I . S. 1927 n°. 201) aan de „ I n d i s c h e Scheepvaartwet 1936" (N. S. n°. 905, I. S. n°. 700).

Padden. Wegens h e t verstrijken van de loopende pachtovereenkomsten vond verpachting van het recht t o t hot houden van particuliere pandhuizen in 1937 plaats in de residentiën Westerafdeeling van Borneo, Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, Djambi, Molukken en Timor en Onderhoorigheden.

I n h e t algemeen werd in d e gevallen, d a t voor h e t driejarig tijdvak een hooger bod werd gedaan dan voor h e t éénjarig tijdvak, t o t een driejarig pacht-contract overgegaan.

De biedingen, waarvoor werd gegund, lagen een weinig hooger dan die van liet voorafgegane tijdvak, namelijk f 13 518, tegen f 13 310 in h e t vorig jaar.

I n de residentie Zuider- en Oosteraf deel ing van Borneo ( T a r a k a n ) werd het bestaan van een clandestien pandhuis geconstateerd. De overtreder werd veroor-deeld t o t een geldboete van f 150.

De in 1937 gedane biedingen, waarvoor liet uitsluitend recht tot verkoop van arak en andere sterke dranken in h e t klein in h e t tolvrije gebied van h e t gewest Biouw en Onderhoorigheden werden gegund, bedroegen f 67 530, tegen f 36 120 in 1936. H e t meerdere ad f 31 410 was echter gedeeltelijk h e t gevolg van ongemo-tiveerd opdrijven door de gegadigden onderling.

H e t recht t o t den verkoop van laroe t e Koepang (res. Timor en Onder-hoorigheden) werd gegund voor f 2955, tegen f 2280 in 1936.

De opbrengst van de verpachtingen bedroeg in 1937 f 84 003, tegen f 54 165 in 1936.

De licentiën t o t h e t houden van Chineescbe dobbelspelen b r a c h t e n f 97 450 op, dus f 24 216 m e e r dan in 1936. D e hoogere opbrengst m o e t worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat meer vergunningen werden aangevraagd.

') Geheven van 25 October 1936 af.

40 DB FINANCIEELE TOESTAND

In document N E D E R L A N D S C H - I N D I Ë OVER HET JAAR 1937 (pagina 38-44)