Algemeene bepalingen

In document YEßZAMELING /^'ff/ (pagina 71-90)

ARTIKEL 1.

Alle gebouwen, op liet oogenblik in Nederlandsch-Indië als gevangenis gebezigd, blijven voorloopig die bestemming behouden.

ARTIKEL 2.

Behondeus de bepaling van liet tweede lid van art.

301 * van liet Reglement op de strafvordering voor de Raden van Justitie op Java en liet H oog-gerechtshof van Nederlandsch-Indië, worden in de gevangenissen steeds ten strengste afgezonderd :

n. Inlanders en Europeanen, I). Vrouwen en mannen,

c. militairen en burgerpersonen,

J. veroordeelden tot de straffen van kruiwagen, tucht-huis of dwangarbeid in den ketting en alle andere gevan-genen.

* Rv. Ari: 3 6 1 , Ie lid. Er zal op de respectieve hoofdplaatsen der Eaden van Justitie eene gevangenis zijn tot bewaring der beklaagden.

:.V lid. Deze gevangenissen worden zooveel mogelijk afgescheiden van dr strafgevangenissen.

•>

Toelichting

Artikel 2 schrijft eeiie strenge afzondering van de ver-schillende categories van gevangenen voor in de gevange-nissen.

Het is echter zeer wenschelijk, dat deze afzondering in den regel ook volgehouden worde buiten de gevangenis, bij den arbeid.

Daarom moeten veroordeelden tot dwangarbeid in den ketting, waar het niet geheel onmogelijk is, den zwaarsten en gevaarlijksten arbeid, afgezonderd van de veroordeelden buiten den ketting, verrichten, en mogen de politioneel tot ar-beidaan de openbare werken veroordeelden nimmer te zamen met deze beide soorten— uitgezonderd, zij die verwezen zijn tot dwangarbeid buiten den ketting voor den tijd van één jaar of korter ter plaatse der veroordeeling - te werk worden gesteld.

ARTIKEL 3.

Behoudens het voorschrift van art, 36:2 * van het Reglement op de strafvordering voor de Raden van Justitie op Java en het Hoog-gerechtshof van Nederlandsch-Indië;

wordt in iedere gevangenis een register aangehouden van alle daarin opgenomen personen.

Dit register wordt in zooveele onderdeelen gesplitst als zich verschillende categoriën van gevangenen in de ge-vangenis bevinden. Indien de cipier buiten staat is het register te houden, wordt dat gedaan door een hiertoe door het Hoofd van plaatselijk Bestuur aan te wijzen persoon.

*Rv. Art: 362. De cipiers zijn verplicht om registers aan te houden.

Dit register zal op elke bladzijde geteekend en gewaarmerkt worden, te Batavia door den President van het Hooggerechtshof, en op de overige plaatsen, waar Kaden van Justitie gevestigd zijn, door de Presidenten dier collégien.

De waarmerking der Kegisters van de strafgevangenissen, bestemd tot opneming van door het Hooggerechtshof en de Enden van Justitie ver-oordeelde personen, en gelegen buiten de bij het voorgaande lid bedoel-de plaatsen, zal geschiebedoel-den door bedoel-de Eesibedoel-denten.

3

Toelichting.

Bij circulaire van den Directeur van Justitie dd. 8 April 1871 No. 1814 zijn modellen verstrekt van het bij artikel

•3 voorgeschreven register, in onderdeelen gesplitst.

Daarin zijn echter een paar leemten ontdekt.

Bij eene woordelijke opvatting van het artikel namelijk, zouden nog afzonderlijke deelen van het Register moeten worden aangehouden, ter inschrijving van de elders dan op de politierol tot gevangenisstraf veroordeelde inlanders, gelijk mede van de veroordeelden door het Regentschaps-gerecht, die in de lands gevangenissen worden opgenomen.

Zulks acht de Directeur van Justitie onnoodig.

Het aantal toch van beide categoriën van gevangenen is zeer gering en beiden kunnen zeer goed in andere on-derdeelen ' van het register ingeschreven worden ; de tot gevangenisstraf veroordeelden — in het deel dat gemerkt is B B. 3 , — de veroordeelden door het Regentschapsgerecht in B B. 4; in het eerste, door in de kolom: „Aard en duur der straf" de veroordeeling tot gevangenisstraf te ver-melden en het opschrift te doen luiden: „tot gevange-nisstraf en tot dwangarbeid buiten den ketting veroordeel-den ter plaatse der veroordeeling"; in het ander, door in de kolom: „dag, maand en jaar van het vonnis der

veroordeeling" op te teekenen, dat de gevangene veroor-deeld is door het Regentschapsgerecht en het opschrift

van het Register te veranderen in: „tot tenarbeidstelling, blokarrest en gevangenisstraf op de politierol en door het Regentschapsgerecht veroordeelden. "

Ook dient het gedeelte van het register, dat gemerkt is F., ter vermelding der opgelegde straffen, aangevuld te worden met een kolom, te plaatsen tusschen de tegen-woordige kolommen 3 en 4 onder het opschrift : „vermelding, dat de beschuldigde is een bij uiterlijk gewijsde veroordeelde, of wel een preventief gevangene,"

I

Waar de verwisseling van gevangenen spoedig en menig-vuldig plaats heeft, verdient wijders liet aanhouden van een' dagelijkschen sterktestaat, met vermelding van denamen, de soort en het aantal der personen, die in elk vertrek van de gevangenis zijn gehuisvest, allezins aanbeveling.

Tot de toepassing van het voorschrift der 3e alinea van artikel 3 mag niet dan bij wel bewezen noodzakelijkheid worden overgegaan, want het moet eene uitzondering, geen regel zijn, dat de cipier het register niet aanhoudt.

ARTIKEL I.

De met het toezicht over de ü,evano;enissen en de gevangenen belaste ambtenaren kunnen zich de registers ten allen tijde doen voorleggen.

ARTIKEL 5.

De cipiers mogen in de gevangenissen niemand opne-men of houden dan uit kracht van een vonnis, een be-velschrift of eene besehikking, daartoe door de bevoegde autoriteit uitgevaardigd en zonder dat zoodanig stuk in zijn register is ingeschreven.

Zij zijn verplicht de uiterste zorg te dragen, dat de gevangenen, zoodra hun straftijd verstreken is, in vrijheid gesteld worden, en bijaldien omtrent het tijdstip, waarop de invrijheidstelling behoort te geschieden, cenige twijfel mocht bestaan, zich tijdig dien aangaande tot den betrok-ken ambtenaar van het openbaar ministerie te wenden.

Met uitzondering van het geval, bedoeld in de vorige alinea van dit artikel, mogen zij niemand uit de gevangenis ontslaan dan op schriftelijk bevel van de daartoe bevoegde autoriteit.

Toelichting,

Het is wenschelijk de vonnissen, bevelen of beschikkingen, bij artikel 5 bedoeld, krachtens welke de opneming in de gevangenis geschiedt, in een bundel te bewaren of aan het

o

register te hechten, opdat de cipiers zich immer kunnen rechtvaardigen.

ARTIKEL (5.

Ieder is bij zijne opneming in de gevangenis verplicht zich te baden en te reinigen.

Onderwijl wordt onderzocht of in de medegebrachte kleede-roi ook voorwerpen aanwezig zijn, die met het oog op orde, tucht en veiligheid,niet aan eenen gevangene kunnen worden gelaten.

Met deze voorwerpen wordt gehandeld zooals in art.

8 is voorgeschreven.

ARTIKEL 7.

Waar voor den dienst der gevangenis een geneeskun-dige aangewezen is, wordt de gevangene zoo spoedig moge-lijk na zijne opneming geneeskundig onderzocht.

Waar geen geneeskundige aan d ,ä gevangenisdienst verbonden is, geeft de cipier of de voor het toezicht in de gevangenis aangewezen persoon, wanneer hij vermeent., dat de nieuw aangekomen gevangene geneeskundige verple-ging behoeft, daarvan onmiddelijk kennis aan het hoofd van plaatselijk bestuur.

Rij vermoeden, dat de gevangene aan eene besmet-telijke ziekte lijdende is, wordt hij, in afwachting van ge-neeskundig onderzoek, onmiddelijk afgezonderd.

Toelichting.

Wanneer na aankomst op de aangewezen strafplaats, bij het volgens art. 7 gehouden onderzoek, veroordeelden mochten blijken aan ziekten of voor den dwangarbeid ongeschikt makende kwalen te lijden, welke zij niet onder weg gekregen hebben, moet daarvan onmiddelijk, onder overlegging van geneeskundige certificaten, aan den Direc-teur van Justitie mededeeling worden gedaan, ten einde die autoriteit in staat te stellen, toezich. te houden op de naleving der bepalingen, omtrent de geneeskundige visitatie der veroordeelden.

ß

ARTIKEL 6.

De door den gevangene medegebrachte goederen wür-den, voor zooverre hij die niet voor zijne kleeding behoeft, bij zijne opneming in de gevangenis geregistreerd.

Hem, die tot de straf van kruiwagen, tuchthuis of dwangarbeid in den ketting is veroordeeld, worden die goederen tijdens zijnen straftijd niet. teruggegeven; omtrent andere veroordeelden kan het plaatselijk bestuur, naar bevind van zaken, beschikken.

Voorloopig aangehoudenen kunnen hunne goederen behouden.

Nogtans mogen evenmin in hun bezit als in dat van andere gevangenen worden gelaten scherpe werktuigen, vergift, opium, sterken drank, geld, preciosa en verder alle zoodanige zaken, die door het Hoofd van plaatselijk bestuur gevaarlijk of met de orde en tuacht strijdig worden geacht.

Van de goederen, die, ingevolge de bepalingen van dit artikel, met in het bezit van den gevangene worden gelaten, wordt hun een door den cipier of anderen met het toezicht in de gevangenis belasten ambtenaar opgemaakt en onderteekend reçu uitgereikt.

Een door den gevangene voor juist geteekend oi' van zijn merk voorzien duplicaat daarvan, zendt de bedoelde ambtenaar aan het Hoofd van plaatselijk bestuur, dat als-dan, maarmate van de waarde der goederen, beslist, of zij ter griffie der gevangenis of wel geheel of gedeeltelijk ten zijnen bureele bewaard zullen worden.

Toelichting.

De goederen van de gevangenen, welke ingevolge art.

8 in bewaring worden genomen, moeten, na in het daar-voor bestemd register te zijn ingeschreven, in afzonderlijke buniels, met vermelding van den naam en het gevangenis-nummer van den eigenaar, vereenigd en zorgvuldig bewaard worden.

I

ARTIKEL 9.

Alle tot straf veroordeelden zijn tot arbeid verplicht.

ARTIKEL 10.

Voor alle werkzaamheden ten behoeve der gevangenis worden, zooveel mogelijk, gevangenen gebezigd; gegijzelden en voorloopig aangehoudenen echter mogen daartoe niet worden gedwongen.

Toelichting.

Het voorschrift van art. 10 geldt niet alleen voor in-landsche, maar ook voor Europeesche gevangenen.

Ook veroordeelde Europeanen kunnen dus verplicht worden de werkzaamheden ten behoeve der gevangenis, als het schoonhouden der lokalen,, enz. te verrichten.

ARTIKEL 11.

Behalve de bij het vorige artikel vermelde werkzaam-heden, worden de niet tot dwangarbeid of ten arbeidstelling aan de openbare werken verwezene veroordeelden gebezigd tot het schoen- en kleedermaken, timmermanswerk, metsel-werk, het vervaardigen van goeniezakken, rottanmetsel-werk, vlecht-werk en dergelijken, alsmede tot schrijf-en teekenvlecht-werk.

De zwaarste arbeid wordt opgelegd aan hen, die tot tuchthuis of krui wagenstraf zijn veroordeeld; de lichtste aan hen, die slechts een korte gevangenisstraf behoeven te ondergaan.

Met inachtneming van dezen regel bepalen de hoofden van gewestelijk bestuur, onder nadere goedkeuring van den Directeur van Justitie, voor de binnen hun gewest gelegen gevangenissen, naarmate der plaatselijke omstandigheden, welke soort of soorten van de opgenoemde werkzaamheden in elke gevangenis zullen worden verricht en aan welke categoriën van gevangenen ze zullen worden opgedragen.

8

ARTIKEL 12.

Onder toezicht en in opvolging der bevelen van de betrokken Hoofden van plaatselijk bestuur, zijn in 's Lands Gevangenis te Soerabaia (en in de centrale gevangenis voor Europeanen en daarmede gelij kgestelden te Semarang — Staatsblad van 1874 No. 132) de Directeur, elders de ci-piers, met de verdeeling van den arbeid en de regeling naar omstandig!)eden van de aan iederen veroordeelde op te leggen taak belast.

Waar de werkzaamheden gezamenlijk verriebt worden, is de werktijd, van veroordeelden tot tuchthuis en kruiwa-genstraf van o1/., tot 11 '/2 uur des morgens en van i y2

tot 51/, uur des namiddags; van veroordeelden tot gevan-genisstraf, van 6l/2 tot 1 . lx/2 uur des morgens en van 2 tot

51/, uur des namiddags.

ARTIKEL 13.

De bij artikel 11 bedoelde arbeid der veroordeelden wordt zooveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de behoeften van 's Lands civiele- en militaire departementen van alge-meen bestuur; de vervaardigde voorwerpen, die daartoe niet kunnen dienen, worden in het openbaar verkocht,overeen-komstig het bepaalde bij art. 17 der wet van 2 April 1864 Staatsblad No. 106 (Zie Staatsblad van 1879 No. 221).

Aan de betrokken Hoofden van gewestelijk bestuur worden credieten geopend tot het aanschaffen van gereedschappen en grondstoffen en het bekostigen van al wat vereisoht wordt, om het verrichten van den arbeid mo-gelijk te maken.

De opbrengst van den arbeid komt ten bate van den lande.

ARTIKEL 14.

De aard van den arbeid der tot dwangarbeid en tot ten arbeidstelling aan de openbare werken veroordeelden wordt, voor zooveel zulks niet rechtstreeks door het

Gou-9

vernement geschiedt of is geschied, naar plaatselijke om-standigheden, voor elk gewest geregeld door het Hoofd van gewestelijk bestuur, onder nadere goedkeuring van den Directeur van Justitie.

De tot dwangarbeid in den ketting veroordeelden zijn tot den zwaarsten arbeid verplicht.

Daarop wordt bij de aanwijzing hunner strafplaats bijzonder gelet.

Zij worden buiten volstrekte noodzakelijkheid niet bij instellingen of autoriteiten gedetacheerd.

Toelichting.

De bedoeling van art. 11 en 14 wordt niet overal juist opgevat.

Bij het vaststellen van de bij die artikelen bedoelde regelen voor den arbeid der veroordeelden, kan met eene eenvoudige opsomming van de soorten van arbeid en op-gaaf van de plaatsen van tewerkstelling niet volstaan worden.

Niet alleen ten gemakke van de plaatselijke autoritei-ten en in het belang van toezicht en goede orde, maar evenzeer in het belang der veroordeelden zelve, moeten die regelen vastgesteld worden.

Zij behooren dus deels gegrond te zijn op-, deels ge-put uit het reglement van orde en tucht.

Daarbij moeten drie categoriën van gevangenen on-derscheiden worden •.

Ie. veroordeelden tot gevangenisstraf, wier arbeid bin-Hen de gevangeni moet geregeld worden ;

2". veroordeelden tot dwangarbeid in en buiten den ketting, die afgezonderd van de politioneel te werk ge-stelden moeten arbeiden, en e-3e veroordeelden op de politie-rol tot tenarbeidstelling aan de openbare werken.

Die regelen moeten gegrond zijn op het reglement, door b : v: daarbij de afscheiding der verschillende cate-goriën. die art. 2 voorschrijft, zooveel mogelijk in acht te

lu

nemen,—dóór alle werkzaamheden ten behoeve der gevangenis, zooals art- 11 wil, aan de gevangenen o p t e dragen,—-dooi-den regel van art. 11 en 14 op te volgen, dat de zwaarste en gevaarlijkste arbeid wordt opgelegd aan ds zwaarst ge-straften, —- door daarbij het voorschrift van art. 15, alinea 7 en art. 31 niet over het hoofd te zien, — en door, in opvolging van art. 38, te letten op het meer of min nut-tige van den arbeid.

Zij moeten geput worden uit het reglement, door eenige voorschriften van het Reglement beknopt over te nemen, bij voorbeeld, door na. de regeling van den aard van den arbeid, die aan elke categorie van veroordeelden wordt opgedragen, te vermelden, dat zij verplicht zijn op taak te arbeiden, welke dagelijks door den cipier of de mandoers geregeld zal worden; door, na vermelding van de werkuren, als re-gel ook de uitzondering op te nemen, dat zij in buitengewone omstandigheden, ook op andere uren en tot anderen arbeid kunnen geroepen worden; door hen opmerkzaam te maken, om stipt de bevelen op te volgen van de over hen gestelde machten, zich rustig en stil te gedragen en naar den arbeid te begeven; door te wijzen op hun recht, om, behoudens noodzakelijke werkzaamheden, op Zon- en feestdagen, met de bij art. 16 aangenomen onderscheiding, vrij te zijn van den arbeid; om in hunnen vrijen tijd voor zich zelf te arbeiden, doch zonder de opbrengst van dien arbeid terstond in han-den te krijgen, daar deze hem eerst bij ontslag uit de gevangenis uitgekeerd wordt ; door de mandoers, bij vertrek uit de gevangenis naar het werk en terugkomst in dat ver-blijf, eene oproeping bij name voor te schrijven, en dezen te gelasten, telken avond hun rapport aan den cipier te doen over al liet op dien dag voorgevallene; door te wijzen op de straffen, die ingevolge de artikelen 52, 53 en 54 kunnen worden opgelegd, in het bijzonder ook daarop, dat de veroordeelden, bij onwil om te arbeiden, verzet, belee-digiug of bedreiging tegen een der ambtenaren met het toezicht over of in de gevangenis belast, en bij ontvluchting,

11.

onmiddelijk met rottanslagen kunnen worden afgestraft;

door hen opmerkzaam te maken op de belooning, welke zij kunnen verkrijgen, wanneer zij zicli onderscheiden, door eene aanstelling tot mandoer tegen een goed loon, enz.

In het bijzonder behoort wijders bij de regeling en verdeeling van den arbeid gelet te worden op den inhoud van de laatste alinea van art. 14.

Het afstaan van dwangarbeiders, aan plaatselijke autoriteiten, openbare of bijzondere instellingen, is met een goed strafstelsel niet overeen te brengen.

De groote verscheidenheid van arbeid, de verschillende plaatsen waar veroordeelden arbeiden, over eene groote uitgestrektheid verdeeld, maken alle goed toezicht onmoge-lijk, en wanneer daarbij dan nog komt, dat de veroordeel-den gelijk hier en daar geschiedt, des nachts niet naar de gevangenis terugkeeren, blijft er van de opgelegde straf al zeer weinig over.

Het doel van art. 14 in verband met art. 38 is, daar-in langzamerhand verbeterdaar-ing te brengen, door daar-intrekkdaar-ing van alle dwangarbeiders hij inrichtingen of autoriteiten geplaatst, die niet bij Gouvernementsbesluit zijn afgestaan en toegevoegd.

Voor allerlei plaatselijke werkzaamheden, waartoe vroe-ger dwangarbeiders bij getallen van 3 tot 10 en 12 werden aangewezen, is het wenschelijk, zoo mogelijk, eene bepaalde ploeg van 20 tot 25 politioneel veroordeelden tot tenar-beiclstelling aan de openbare werken aan te wijzen, die zich onder streng toezicht naar de verschillende plaatsen (1er stad begeven, waar hun arbeid vereischt wordt.

lederen avond keeren zij dan in de gevangenis terug.

Zijn de L gegeven middelen van toezicht niet vol-doende, dan moeten tot verbetering goed toegelichte voor-stellen aan mij worden gedaan. •

De wijze, waarop tegenwoordig hier en daar dwang-arbeiders aan particulieren tegen betaling van een gering loon des Zondags worden afgestaan, is af te keuren.

L 2

Verlangt een particulier van de werkkrachten der dwang-arbeiders in hun vrijen tijd, gebruik te maken, dan moet bij daartoe een behoorlijke aanvraag doen aan het Hoofd van plaatselijk bestuur en dan kan den veroordeelden, die daartoe genegen zijn, worden vergund het werk, bij ploe-gen en onder goed toezicht, te gaan verrichten, terwijl daarvoor alsdan zal moeten worden betaald het loon van een gewonen vrijen koelie, af te dragen aan den cipier of ambtenaar, bedoeld bij art. 40, terwijl mede voor de toe-zicht hebbende mandoers eenig loon zal behooren te worden bedongen.

Waar, op grond van Gouvernementsbesluiten, dwang-arbeiders aan autoriteiten of inrichtingen worden toegevoegd, moeten daartoe bij voorkeur dwangarbeiders buiten den ketting worden aangewezen.

ARTIKEL 15.

De tot dwangarbeid en tot tenarbeidstelling aan de openbare werken veroordeelden worden aan het werk gesteld des voormiddags van half zeven tot elf ure en des namid-dags van één tot half zes ure, de tijd benoodigd om zich van-en naar het werk te begeven daaronder gerekend.

Het Hoofd van plaatselijk bestuur of, waar dwangar-beiders voor een bepaald werk zijn aangewezen, de ambte-naar belast met dit werk, is, na zich dienaangaande met het Hoofd van plaatselijk bestuur te hebben verstaan, be-voegd in buitengewone omstandigheden de dwangarbeiders ook op andere uren werkzaam te stellen.

De rusttijd van elf tot een uur moet, buiten volstrek-te onmogelijkheid, op of bij de werkplaats worden door-gebracht.

Over de dwangarbeiders en tenarbeidgestelden worden mandoers aangesteld, zooveel mogelijk gekozen uit de veroordeelden tot dwangarbeid, die zich door een voortgezet goed gedrag, gepaard aan de overigens vereischte

geschikt-L8

heid, daartoe aanbevelen, en aan wie daarvoor een zeker loon zal worden toegekend.

De mandoers geleiden hen naar het werk en van daar terug naar de gevangenis.

Zooveel mogelijk wordt aan elke ploeg dwangarbeiders en tenarbeidgestelden eene bepaalde taak aangewezen, die door de mandoers onder hen wordt verdeeld.

Zoowel bij de aanwijzing dier taak als bij hare ver-deeling, worden de aard van het werk, de sekse, leeftijd, kracht en geschiktheid der dwangarbeiders in aanmerking genomen; de ambtenaren, onder wier leiding de arbeid volbracht wordt, zijn verplicht zich aan de juistheid en billijkheid dezer verdeeling te vergewissen.

Zoowel bij de aanwijzing dier taak als bij hare ver-deeling, worden de aard van het werk, de sekse, leeftijd, kracht en geschiktheid der dwangarbeiders in aanmerking genomen; de ambtenaren, onder wier leiding de arbeid volbracht wordt, zijn verplicht zich aan de juistheid en billijkheid dezer verdeeling te vergewissen.

In document YEßZAMELING /^'ff/ (pagina 71-90)